25 november 2017

Na 250 jaar eindelijk ingeburgerd?

Beroep: onderwijs | Aflevering

COLUMN | In 1770 kwam Åke Sanberg uit Kristiastadt, Zweden, naar Amsterdam. Hij was vrijgezel en tuinman en naar Amsterdam gekomen om te zorgen voor de groenvoorziening rondom de Zweedse ambassade. Dat deed hij dus, maar dat was gelukkig niet het enige wat hij deed, in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hij kwam ook een leuke, Amsterdamse vrouw tegen, Jannetje van der Meijs, en trouwde met haar.

Dat bleek een vruchtbaar huwelijk: ze kregen acht kinderen, onder wie Willem Sanberg (1818). Willem trouwde met Bartha. Zij kregen een zoon die ze (tamelijk fantasieloos) ook Willem noemden. Deze Willem (de tweede, als het ware) trouwde met Johanna en ook zij kregen een zoon: Johannes Gerardus. In 1874.
Johan trouwde met Sophie van der Laar, in Haarlem. Eén van hun zoons noemden zij Piet. Kort na diens geboorte verhuisden zij naar Tilburg en daar kwam Piet Tiny van de Sande tegen. Zij trouwden en kregen eerst twee dochters en daarna nog – hoera! – een zoon. Die noemden zij Gerard en hij kwam te werken op het ROC. Zijn zoon noemde hij weer gewoon Willem (de derde?).

Wat moet je denken bij zo’n stamboom? Dat ik dus een allochtoon ben? Oké, best, mij beledig je daar niet mee maar het betekent toch eigenlijk niks meer? En nu mag je het ook niet meer zo noemen, hoorde ik. De Tweede Kamer gaat dat bij wet verbieden – ja, of alleen maar aanbevelen dat je dat woord niet meer moet gebruiken. Wat je dan toch onwillekeurig denkt, als argeloze burger: zijn ze nu echt door alle serieuze problemen heen, in Den Haag? Echt helemaal? Niks urgents meer op te lossen?

Maar goed: vijf generaties terug woonden mijn voorouders dus in Zweden en daarom schrijft tegenwoordig nog steeds iedereen mijn naam fout, in deze moerasdelta, net zoals wanneer je Ataturk heet, of Kockzal. Ik vind mezelf redelijk goed geïntegreerd, na 250 jaar inburgering,  en ik hoop maar dat mijn autochtone medelanders – buren, collega’s – dat ook vinden. Dat ze mij niet stiekem aankijken op mijn Scandinavische roots of mijn bizarre achternaam.

Mijn leerlingen moet ik nageven (en dat doe ik dus bij deze): al die jaren dat ik voor de klas stond en hen zaken uit probeerde te leggen over allochtonen / gastarbeiders / migranten / vreemdelingen / asielzoekers / statushouders en wat dies meer zij, is er nooit – nee, eerlijk zijn, er zijn weleens onvertogen woorden gericht aan het adres van hun docent, maar nooit nee nooit hebben mijn mts’ers gerefereerd aan mijn buitenlandse afkomst. Toch aardig, van die melkboerenhondenhaarkoppen uit de provincie. Hadden we de Tweede Kamer niet bij nodig.

 

 

Deel dit artikel