31 oktober 2020

Publiceren van namen zeer zwakke scholen heeft effect’

INTERVIEW | De overheid zit zeer zwakke scholen meer op de huid. Hoofdinspecteur primair onderwijs Leon Henkens geeft een nadere toelichting. De publicatie van de lijst van scholen die tekortschieten noemt hij een effectief middel is om verbeteringen te stimuleren. 
 
Sinds dagblad Trouw tien jaar geleden begon met het publiceren van de resultaten van middelbare scholen, beseft het onderwijs dat transparantie hoort bij deze tijd. Toch veroorzaakte het besluit van de Onderwijsinspectie, drie jaar geleden, om de namen van zeer zwakke scholen op internet te publiceren, een schok in het veld. “Er zijn nog steeds groepen die zeggen, die lijst moet weg, terwijl wij wel merken dat het een van de meest effectieve middelen is om scholen aan te zetten tot verbeteringen. Ze vinden het allemaal zonder uitzondering heel erg vervelend, ze ervaren het als een schandpaal”, zegt Leon Henkens, hoofdinspecteur primair onderwijs.

De inspectie is er alles aan gelegen om te voorkomen dat scholen afglijden en zeer zwak worden. “Want dan ben je eigenlijk al te laat. Wat wij nu willen doen in ons toezicht, is meer naar de preventieve kant gaan. We analyseren nu elk jaar de eindresultaten van alle basisscholen, en als er aanleiding is tot zorg – en dan hoeven ze nog niet onvoldoende te zijn – , dan vragen wij de tussenopbrengsten op. Dan kunnen we nagaan of daar al een voorbode te zien is van terugloop. Tegen het bestuur zeggen we, we vinden dat jullie iets moeten doen.”
 
Hoofdinspecteur Leon Henkens

Tot voor kort kwam de inspectie pas echt in actie als een school zeer zwak werd. Daarvoor moeten de resultaten drie jaar achtereen onvoldoende zijn en moeten er ernstige tekortkomingen in het onderwijsproces zijn. Scholen kregen dan twee jaar de tijd om het onderwijs op orde te brengen, maar van dat standaardtraject stapt de inspectie af. Nu worden er harde afspraken met de betrokken school gemaakt over een verbeterplan, en de inspectie beoordeelt tussentijds of er voldoende vooruitgang wordt geboekt.

“Als de situatie het mogelijk maakt, dan spreken we een kortere verbetertermijn dan twee jaar af. De ervaring leert wel”, zegt hoofdinspecteur Henkens, “dat het met het onderwijsproces al de goede kant op kan gaan, maar dat de concrete resultaten pas met enige vertraging zichtbaar zijn. Een school kan door deze verandering in het toezicht eerder van het predikaat ‘zeer zwak’ afkomen, maar vaak blijft het dan nog wel een tijd een zwakke school die extra aandacht behoeft.”

Soms is bij scholen die van de inspectie geïntensiveerd toezicht opgelegd hebben gekregen, de kwaliteit van het bestuur in het geding. “Als wij er geen vertrouwen in hebben dat het bestuur in staat is de kwaliteit voldoende te verbeteren, dan dragen we het over aan de minister of de staatssecretaris voor een bestuurlijk natraject. Die ontbiedt bijvoorbeeld het bestuur en maakt afspraken op basis van vrijwilligheid. Die druk werkt wel. Dit soort situaties is overigens op een hand te tellen.”
 
Mediation
De inspectie is aan het bekijken of het uitoefenen van dit soort druk niet in een eerder stadium mogelijk is. “In een bepaald geval heeft de minister – vanwege conflicten tussen partijen op een school – mediation afgedwongen, dat heeft gewerkt. Dat was aan het begin van het verbetertraject”. De inspectie had er geen vertrouwen in, dat het verbeterplan vruchten af zou werken, als niet eerst het onderlinge vertrouwen hersteld zou zijn.

Ook dat op basis van vrijwilligheid, want de wettelijke basis ontbreekt nog voor die gevallen waarin de school voldoet aan alle deugdelijkheidseisen. “Maar nu ligt er het wetsvoorstel Goed onderwijs, Goed Bestuur, om op te kunnen treden in ultieme situaties, waarbij de deugdelijkheid van het onderwijs niet, maar de kwaliteit wel in het geding is.”
 
De inspectie is een nadere analyse aan het maken van wat de kenmerken zijn van een zeer zwakke school. “Eerder viel al op dat deze scholen geisoleerd zijn, dat ze weinig impulsen van buiten krijgen. Dat ouders weinig hoge verwachtingen van hun kinderen hebben. Leerkrachten gaan daar in mee, ze hebben vaak de ouders ook op school gehad. Als je dan niet je resultaten spiegelt aan andere scholen, dan heb je vaak niet in de gaten hoever je afgezakt bent.

Een ander punt is een verandering in de leerlingenpopulatie, bijvoorbeeld door de toename van het aantal allochtone leerlingen, waar het team, of een deel ervan, niet in meegroeit. Of er is geen goede aansturing en iedereen doet maar wat.” 

[Gepubliceerd in SBM, februari 2009]
 

Deel dit artikel