29 oktober 2020

De onderzoekende docent vindt zijn passie terug

DEN BOSCH | ACHTERGROND | Het is een nieuw fenomeen in het onderwijs: de docent die onderzoek doet in zijn dagelijkse onderwijspraktijk. Het wordt gezien als een antwoord op een gevoel van onbehagen onder docenten dat ze te weinig invloed hebben op de uitoefening van hun vak.
Anders gezegd: Hoe kan de docent weer eigenaar worden van het leerproces.
 
Meta Krüger, lector Leiderschap in het onderwijs bij Penta Nova, pleit er al langer voor dat scholen en leraren een onderzoekende houding ontwikkelen. “De maatschappij verandert voortdurend, scholen moeten daarin meegaan”, heeft ze onlangs in een interview gezegd. Volgens haar gaat het internationaal ook die richting uit.
 
Dat klinkt mooi, zo’n nieuwe rol van de leraar, maar hoe gaat dat in werkelijkheid? In het kader van de Dag van de Leraar gaven drie leraren tekst en uitleg over hun ervaringen met de onderzoekende leraar: Marjolein Held (docent verpleegkunde Koning Willem I College), Caecile van Gorp (docent Frans St. Odulphuslyceum) en Jan van de Hoek (docent Duits Merlet College).
Het drietal hield een presentatie tijdens een conferentie in de School voor de Toekomst, verbonden met het Koning Willem I College in Den Bosch.
 
Academisch Meesterschap
Ze doen alle drie de tweejarige master Academisch Meesterschap in Amsterdam, die gaat over onderzoeksmatig werken aan de praktijk. Held, Van Gorp en Van de Hoek maken gebruik van de Lerarenbeurs. Zonder die financiële ondersteuning zouden ze waarschijnlijk niet aan die opleiding begonnen zijn, vertelden ze desgevraagd.
 
Het werd een inspirerende bijeenkomst omdat de docenten, ieder aan de hand van hun persoonlijke motieven, helder schetsten wat de toegevoegde waarde van een onderzoeksrol is, of kan zijn. Van de Hoek maakte duidelijk dat hij heel bewust heeft gekozen om aan de masteropleiding te beginnen. Hij had het gevoel dat hij na vele jaren in het onderwijs vast dreigde te lopen. “Mijn passie voor het vak was aan het verdwijnen, maar dat wilde ik niet. Ik heb nu het gevoel dat het vlammetje weer is gaan branden.” Vergelijkbare motieven waren er bij de docentes Held en Van Gorp.
 
Vanaf tweede van links: Jan van de Hoek, Marjolein Held en Caecile van Gorp.

Tijdens de opleiding voeren de deelnemers een onderzoek uit naar een probleem op hun eigen school, in jargon: de verlegenheidsituatie. Voor Van de Hoek was dat het gegeven dat tien procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs afstroomt, hoewel dat leerlingen zijn die cognitief gezien op een bij hen passend niveau zijn ingestroomd. In hoeverre speelt een (negatief) zelfbeeld daarbij een rol?
 
Zelfbeeld leerlingen
Van de Hoek bracht dat in kaart aan de hand van een enquête onder leerlingen in havo 2 en klas twee van de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo op het Merlet. En hij legde vragen voor aan hun docenten. Kern ervan was hoe leerlingen dachten dat leraren tegen hen aankeken. Daaruit kwam naar voor dat leerlingen van de havo denken dat hun docenten positief over hen denken, en dat de vmbo’ers veronderstellen dat hun leraren negatief denken. Dat werd bevestigd door de antwoorden van de docenten.
 
Van de Hoek deed in samenspraak met collega’s een proef waarbij docenten gedurende twee maanden heel gericht bij drie van hun leerlingen extra aandacht gaven en lieten blijken oprecht geïnteresseerd te zijn in hun leven, ook buiten school. Door deze aanpak schoot het zelfbeeld bij de betrokken vmbo’ers omhoog en daarmee ook het zelfvertrouwen.
 
Ceacile van Gorp deed op het Odulphuslyceum onderzoek naar de vraag of docenten vreemde talen in de onderbouw eigenlijk wel content zijn over hun aanpak. Dat bleek grosso modo niet het geval. In hun aanpak ligt sterk de nadruk op het onder de knie krijgen van grammatica, terwijl docenten liever het accent zouden willen leggen op het ontwikkelen van actief taalgebruik. Voor leerlingen is dat veel motiverender. Een discrepantie dus tussen ‘droom en daad’.
 
Kerndoelen geen obstakel
Maar die is onnodig, betoogde Van Gorp, omdat de kerndoelen zo’n aanpak helemaal niet dwarsbomen. Samen met collega’s ontwikkelde ze een ander leerplan voor Frans in de onderbouw, met veel meer ruimte voor levend taalgebruik. Het verankeren van de grammatica kan volgens Van Gorp heel goed in de bovenbouw.
 
Voor Held was de aanschaf van de geavanceerde oefenpop ‘Juul’ voor de opleiding verpleegkunde vertrekpunt van haar onderzoek.  Dat ging gepaard met veel publiciteit, maar na enige tijd bleek dat er nauwelijks van deze robotpop gebruik werd gemaakt in de opleiding. Held ontwikkelde een model op basis van het  idee van Community of Practice waardoor docenten wel deze innovatie inzetten in hun onderwijspraktijk.
 
Lees hier het interview met lector Meta Krüger.
 

Deel dit artikel