21 oktober 2020

Tussen Twitter en de Verlichting – over onderwijsjournalistiek en beeldvorming

Kanttekeningen over onderwijsjournalistiek en over de rol van sociale media bij de beeldvorming over onderwijs. Door Pieter Leenheer, secretaris Stichting Stimulering Onderwijsjournalistiek. Uitgesproken tijdens de uitreiking van de Prijs voor de Onderwijsjournalistiek op 7 oktober 2010.
De prijs ging dit jaar naar Robin Gerrits, redacteur bij De Volkskrant.
 

 
OPINIE | In een kennismaatschappij als de onze, zeiden wij bij de instelling van onze mooie prijs, is onderwijs van groot belangen dus is goede informatie over onderwijs voor een breed publiek van groot belang. En met de Prijs voor de Onderwijsjounalistiek willen we de kwaliteit daarvan bevorderen. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Want de vraag is of goede onderwijsjournalistiek er nog wel toe doet, en of onze mooie prijs niet veel meer is dan goedbedoeld gerommel in de marge.
 
De verhouidng tussen onderwijs en onderwijsjournalistiek is uit der zaak al een tijdje gespannen. Maar die relatie wordt vandaag de dag gecompliceerder door de schil die daaromheen zit: het discours in de publieke arena en dan met name in de sociale media.

Je hebt twee soorten publiek discours over onderwijs:
–        Ten eerste een min of meer rationeel discours, waarin onderwijsjournalistiek een rol speelt, met tenminste tot op zekere hoogte, invloed in het overlegcircuit van bonden, sectorraden, het ministerie, en op onderwijsinstellingen zelf.
–        Daarnaast is er een veel meer emotioneel discours, waarin beelden en frames die bijvoorbeeld columnisten hanteren en die (mede) in de sociale media gevormd worden, een belangrijke rol spelen. En dat soort beelden en frames bepaalt nu juist veel meer dan de onderwijsjournalistiek de publieke opinie waar vervolgens politici op in spelen.

  Staatssecretaris Van Bijsterveldt bezoekt SintLucas in Boxtel. Publiciteit voor de school en voor de bewindsvrouw.

Eerst maar eens even het rationele discours, te beginnen met de enigszins precaire relatie tussen onderwijs en onderwijsjournalistiek.
 
Onderwijsinstellingen en -organisaties klagen geregeld over de kwaliteit van de onderwijsjournalistiek. Dat is echter eigenlijk nogal merkwaardig, want als je kijkt naar de inzendingen voor de Prijs voor de Onderwijsjournalistiek, dan is die kwaliteit over het geheel genomen heel behoorlijk. Ons lijkt dat het probleem eerlijk gezegd voor een niet gering deel gewoon in het onderwijs zelf zit. 

Onhandig
Onderwijsinstellingen zijn dikwijls een beetje bang voor journalisten en daardoor gaan ze er vaak heel onhandig mee om. Een paar jaar geleden zei Emmanuel Naaijkens, toen nog onderwijsjournalist bij het Brabants Dagblad, dat scholen vaak op journalisten reageren als konijntjes op koplampen van auto’s. Verstijfd van schrik.

Overigens vervalt onderwijs sinds een paar jaar zo nu en dan in het andere uiterste. Met name bestuurders en hun PR-afdelingen storen zich geregeld aan hun onwelgevallige berichtgeving en oefenen soms via e-mail druk uit op onderwijsjournalisten. Een aardig voorbeeld van dat laatste is wat er gebeurd is rond een artikelenserie van Yvonne van de Meent e.a. in het Onderwijsblad over de financiële reserves van onderwijsinstellingen.
 

Onderwijsjournalistiek bij kranten onder druk door afkalvende inkomsten


De schrijvers ontvingen na publicatie regelrechte hatemail van CvB’s die de feiten niet konden ontkennen, maar liever geen publiciteit hadden gehad over deze kwestie. Het aardige is dat dat nou juist een serie was die wij bekroond hebben. Wij kunnen ons immers voorstellen dat controle via de pers vervelend is voor CvB’s, maar wij achten een dergelijke controle nu juist heilzaam
 
Bedreigde journalistiek
En dan de andere kant van de zaak. De kwaliteit van de onderwijsjournalistiek mag dan wel behoorlijk zijn, maar ze is wel bijzonder bedreigd. Kranten staan door afkalvende inkomsten onder druk en snijden in redacties, waarbij onderzoeksjournalistiek c.q. onderwijsjournalistiek grote kans lopen te verdwijnen. En de facto is dat al her en der gebeurd bij de regionale pers.

Daarnaast is er een groot gebrek aan deskundigheid bij met name de AV media. Voor berichtgeving over onderwijs drijven die vaak meer op de beelden uit het emotionele dan op die uit het rationele discours. En dat is een lelijk probleem gezien hun grote invloed op de publieke opinie. Overigens is De Avond van het Onderwijs van afgelopen dinsdag een bijzonder gunstige uitzondering: zo genuanceerd zie je het maar zelden op de buis. Maar ja, ik ben geneigd voorlopig nog maar even zuinig te reageren. Eén zwaluw maakt nu eenmaal nog geen zomer.



En dan nu het emotionele discours en de rol van de sociale media
 
Sociale media spelen in toenemende mate een rol in het publieke discours. Hoe groot die rol precies is, valt onmogelijk te zeggen. Maar wel lijkt duidelijk dat zowel de media als de politiek zich bij hun keuzen mede door de blogosfeer laten beïnvloeden. Het beroerde is alleen dat die sociale media lang niet zo betrouwbaar zijn als je wel zou willen. Veel berichten op Twitter bijvoorbeeld zijn geruchten die door de massa worden versterkt maar vervolgens niet waar blijken te zijn. Veel gebruikers van sociale media lijken uiterst gevoelig voor complottheorieën. En nogal eens lijken dit soort media vooral een voertuig voor een permanent gevoel van onbehagen en kan er soms ineens een hype ontstaan, eerder als een artefact van het medium dan vanwege een direct aanwijsbare oorzaak.
 
Weinig rumoer
Wat onderwijs betreft tref je overigens op dit moment in de sociale media weinig rumoer aan. Maar wel vind je er allerlei echo’s van eerder oproer. Zo circuleren er nog steeds de frames over de vernieling van ons mooie onderwijs. En soms lijkt het of beelden, verspreid via columns in kranten en sociale media beter beklijven dan evenwichtige berichtgeving via (traditionelere) media. Een van de redenen daarvoor is natuurlijk dat columnisten oneindig beter zijn in het vinden van een pakkende formulering dan de gemiddelde onderwijsman of –vrouw.

Neem nu Geert Mak. In 2005 schreef hij in een opstel voor de bundel Beroepszeer het volgende: De Republiek der Verenigde Nederlanden ging aan parasiterende regentenklieken ten onder. Intussen belast een nieuwe groeiende korst van gewichtigdoenerige managers en bestuurders onze bedrijven, scholen en andere organisaties. Zij ondermijnen het vertrouwen, het vakmanschap en de menselijke waardigheid van de samenleving. Mooi gezegd. En die formulering bleef onmiskenbaar hangen. Maar of het klopt, is een tweede.
 
Publieke opinie
En dan nu de vraag hoe erg dit alles is. Daarbij onderscheid  ik twee niveaus: dat van het onderwijsbeleid, en dat van de scholen (onderwijsinstellingen).
 
Politici kunnen niet om de publieke opinie heen en nu die sterker dan voorheen door de sociale media worden bepaald, zullen ze iets moeten met op het net circulerende frames als:
–        De kwaliteit van ons eertijds prachtige onderwijs daalt dramatisch, mede door de ruïneuze onderwijsvernieuwingen van de negentiger jaren.
–        Er is in het onderwijs een leemlaag van managers ontstaan, die de leraren het werk onmogelijk maakt.
 
Politiek is per definitie – en ik bedoel dat bepaald niet denigrerend – een vorm van theater . En dus moeten politici tonen dat ze tegemoet komen aan de zorgen van het publiek. Niet alleen aan die van Robbert-Jan en Fleur van de grachtengordel, maar ook aan die van Henk en Ingrid uit Rotterdam-West of Winterswijk. Met andere woorden, ze moeten balanceren tussen het rationele en het emotionele discours. En doordat ze geen experts zijn, neigen ze daarbij vaak wat meer naar de emotionele dan naar de rationele kant. Vandaar dat we binnenkort met een kabinet krijgen dat mikt op dingen als meetbare onderwijsprestaties, een absolute kwaliteitsnorm en prestatiebeloning.Niet omdat onderzoek ondubbelzinnig uitwijst dat dat werkt. Maar gewoon, vanwege de indruk van daadkracht en vastberadenheid om de problemen nu eens echt bij de kop te pakken.
 

Scholen moeten problemen niet proberen te verhullen

 
Emotie
En dan het emotionele discours over het onderwijs en de invloed op de scholen, de onderwijsinstellingen. In Meso Magazine publiceerden de onderwijssociologen Sietske Waslander en Maartje van der Weide een tijdje geleden een korte artikelenreeks over de relatie onderwijs-pers-politiek. Scholen, aldus Waslander en Van der Weide, hebben te maken met wetten en regels (oftewel regulatieve druk), maar ook met moeilijk grijpbare en vaak impliciete maatschappelijke opvattingen over wat goed onderwijs is, over hoe een ‘echte school’ eruitziet, wat belangrijk is en wat niet (oftewel normatieve druk).En in  de interviews die ze in dat verband hadden met een aantal scholen, gaven alle scholen eigener beweging aan dat ze direct of indirect worden beïnvloed en last hebben van door uitspraken van politici en discussies over onderwijs in de media.
 
Goed, scholen hebben dus, op zijn minst van tijd tot tijd, last van het emotionele discours over het onderwijs. De vraag is wat ze daaraan kunnen doen. In directe zin niet al te veel, ben ik bang, maar indirect kunnen ze de gang van zaken wel degelijk beïnvloeden. Geruchten ontstaan veelal doordat de gewone man het idee heeft dat de autoriteiten, de bovenbazen, informatie achterhouden en de kluit belazeren. Daardoor gaan ze hun eigen informatie verzinnen. Daarom is het belangrijk dat je daartoe zo min mogelijk aanleiding geeft. Wat betekent dat nou in dit geval?

Geen pr-verhaaltjes
Welnu, scholen moeten om te beginnen natuurlijk hun werk goed doen (of blijven doen) en bereid zijn daarover aan de buitenwereld verantwoording af te leggen. En dat is wat anders dan het rondsturen van gelikte PR-verhaaltjes. Bovendien moeten ze problemen vooral niet verhullen. Op korte termijn lijkt dat misschien een aantrekkelijke strategie. Maar op den duur werkt het tegen je, niet alleen naar de buitenwacht, maar ook intern. Of misschien zelfs juist intern omdat je op die manier in je organisatie een sfeer van cynisme kweekt en je van je organisatie een depressieve organisatie maakt.

En tenslotte, scholen moeten veel beter snappen hoe journalistiek werkt. Bij een vorige prijsuitreiking riep een schoolleider journalisten op om bondgenoten te worden. Dat was onmiskenbaar goedbedoeld, maar voor het overige een lelijke vergissing. Scholen zijn juist gebaat bij onafhankelijk onderwijsjournalistiek. Eigenlijk zouden ze, hoe lastig dat ook is, juist blij moeten zijn met berichten over problemen. Want alleen in landen als Noord-Korea gaat alles, althans volgens de officiële berichtgeving, geheel op rolletjes en is iedereen gelukkig en eensgezind. Maar wij weten wel beter.

Pieter Leenheer (secretaris Stichting Stimulering Onderwijsjournalistiek)

Deel dit artikel