17 juli 2019

Rector magnificus Van Duijn: De tijd van verwijten maken is voorbij

INTERVIEW | Prof. Hans van Duijn (62), rector magnificus van de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) voelt zich medeverantwoordelijk voor een goede aansluiting van het vwo op het wetenschappelijk onderwijs. Dat was vroeger wel anders, toen stonden voortgezet onderwijs en universiteiten met de rug naar elkaar.

Tekst: Emmanuel Naaijkens
______________________

Hoe was uw eigen middelbare schooltijd?
“Ik heb op de hbs gezeten, in Vlissingen. Eén jaar, ik had hele slechte cijfers, vooral voor talen. Ze zeiden daar, ‘die jongen moet hier weg’. Ik denk dat mijn hoofd er niet naar stond, ik speelde liever buiten. Ik ben toen naar de mulo gegaan, maar dat ging ook niet goed. Tot mijn ouders naar Eindhoven verhuisden. Ik deed daar mulo-B en was het beste jongetje van de klas. Vervolgens via een voorbereidend jaar naar de hts. Natuurkunde gestudeerd, toen naar de TH. In drie jaar ben ik cum laude afgestudeerd. Ik ging als een speer.”

U was een typische stapelaar.
“Blijkbaar. Waarom het zo gelopen is, ik weet het niet. Studeren heb ik niet van thuisuit meegekregen. Er zijn meer rectores die deze route hebben gelopen. Ik ken een hoogleraar nanotechnologie die ooit op de LTS begonnen is om te leren metselen. Nu is een dergelijke omweg heel uitzonderlijk.”

De aansluiting van het vwo met de universiteit is een probleem, getuige de uitval van dertig procent.
“Dat is het al heel lang. Acht jaar geleden – ik was net rector van de TU –  heb ik een bijeenkomst belegd met onder andere rectoren en decanen van middelbare scholen uit Zuid-Nederland. Er was een vrij pittige sfeer onderling, verwijtend. Wij wezen toen nog naar de scholen, en die wezen naar ons. Maar sindsdien is de sfeer enorm verbeterd. We zien het nu als een gezamenlijke opdracht om het aan te pakken. Daar doen we veel aan. We hebben een pre university college, we geven hier colleges, leraren kunnen zich bijscholen, we leiden zelf leraren op in onze Eindhoven School of Education. We doen veel aan voorlichting, organiseren meeloopdagen.”

Waar zat de belemmering?
“Ik had het gevoel dat de systemen van vwo en wo niet compatibel zijn. Het heet wel vwo, maar het bereidt niet goed voor op de universiteit, in het bijzonder bèta-techniek. Leerlingen missen basisvaardigheden, zoals rekenen en wiskunde. Maar ook Nederlands. Er is kennelijk niet voldoende tijd aan besteed, het beklijft niet bij die jongeren. Ik praat wekelijks met groepjes studenten om voeling met hen te houden en ik hoor vaak dat ze zich op de middelbare school te pletter hebben verveeld. Dat kán toch niet! Misschien is het programma, zeker voor de betere leerling, te licht. Wij helpen scholen graag om hun leerlingen extra’s aan te bieden.”

“We helpen scholen graag om hun leerlingen iets extra’s te bieden”

En wat ging er niet goed op de universiteit?
“Wij hadden overladen programma’s met heel veel contacturen en weinig zelfstudie. En elke docent wilde zijn vak kwijt aan de studenten en daar kon niks in geschrapt worden want dan stelde de studie niks voor. En als je als student een onderdeel niet haalde, dan liep je meteen onherstelbaar achter. Ik vond dat we als universiteit ook naar onszelf moesten kijken. Naar onze programma’s, de kwaliteit van ons onderwijs. Dat liet veel te wensen over. Kijk, als wij van onze instroom de helft kwijtraken en de andere helft doet er eindeloos lang over, dan is er toch echt iets aan de hand. Ik heb hier intern enorm over aan de bel getrokken, dat is me niet door iedereen in dank afgenomen. Mijn stelling is: we zijn een universiteit, geen onderzoeksinstituut. We leiden mensen op.”

Is selectie een manier om er voor te zorgen dat minder studenten uitvallen?
“Het eindexamen is het toelatingsbewijs, selecteren mag niet. We zochten in het verleden telkens naar incidentele oplossingen zoals een bindend studieadvies, coaching, vakantiecursussen. Dat hielp even en dan zakte het weer weg. Onderwijs is een taaie materie. Op een gegeven moment hebben we gezegd, het roer moet echt drastisch om. We zijn nu bezig met de invoering van het Bachelor College. Het onderwijs is breder, biedt studenten meer keuzemogelijkheden. We willen af van het rigide systeem van smalle opleidingen, studenten moeten niet in een fuik zwemmen.
Er is meer aandacht voor bredere aspecten van het ingenieursberoep. Alle studenten krijgen social sciences, ethiek, geschiedenis. In de majors kunnen ze de diepte in. Studenten kunnen gemakkelijk switchen als ze merken dat een bepaalde keuze niet goed is geweest. En we voeren ook intakegesprekken. Niet om leerlingen af te schrikken, maar om ze zelf een spiegel voor te houden. Om na te gaan of ze genoeg gemotiveerd zijn. Een numerus fixus zou, gezien het tekort aan bèta’s, maatschappelijk niet uit te leggen zijn. Bij een bedrijf als ASML ontstaan de komende jaren 1500 vacatures.”

“Niet iedere vwo’er is geschikt voor een academische studie”

Is het vanzelfsprekend dat een vwo’er naar de universiteit gaat?
“Nee, je kunt ook naar een hogeschool gaan en voor een goede beroepsopleiding kiezen. Daar is niks mis mee. Niet iedere vwo’er is geschikt voor een universitaire studie. Je moet een bepaalde studiehouding hebben, openstaan voor een academische mentaliteit. Als je dat niet in je hebt dan ben je als vwo’er  echt geen loser. Je kiest een andere route, ook prima.”

Meisjes zijn nog steeds ondervertegenwoordigd in het technisch hoger onderwijs. Er zijn genoeg meisjes die voor een bètaprofiel kiezen, maar toch geen bètastudie doen. Hoe haal je die over?
“Wij denken dat het met het aanbod heeft te maken. Daarom hebben we brede opleidingen ingevoerd met combinaties van disciplines. We hebben de bacheloropleiding Biomedische Technologie en majors als Medische Wetenschappen en Technologie en Psychology and Technology. Deze aanpak lijkt zijn vruchten af te werpen. Het aantal vrouwelijke studenten neemt al een aantal jaren toe, dit jaar is het aantal inschrijvingen met meer dan vijftig procent gegroeid. Of het een trendbreuk is? Ik hoop het, maar ik ben altijd voorzichtig. Over paar jaar weten we het zeker. Wat goed werkt is het inzetten van onze eigen studenten als rolmodel. Zij staan qua leeftijd nog dicht bij scholieren die in 4, 5, 6 vwo zitten.”

Hebben docenten in het voortgezet onderwijs, en omgekeerd op de universiteit, wel goed zicht op wat er bij elkaar gebeurt?
“Er zijn zorgen bij bestuurders van scholen omdat veel universitair geschoolde docenten met pensioen gaan, en veel jonge docenten hebben geen academische opleiding. Anderzijds, wij hebben als TU bij vrijwel al onze opleidingen zogeheten aansluitdocenten. Dat zijn leraren met een aanstelling aan een middelbare school én aan de universiteit. Die moeten er voor zorgen dat de programma’s  niet te ver uit de pas lopen. Maar het zou goed zijn als meer masterstudenten ook een lerarenopleiding zouden volgen.”

[Dit interview is eerder geplaatst in VO-magazine]

Deel dit artikel