19 januari 2019

Un groupuscule

Beroep: onderwijs | Aflevering 5.32

COLUMN | In mei 1968 demonstreerden honderdduizend studenten in Parijs, tegen van alles nog wat. Tegen de westerse maatschappij van dat moment, eigenlijk.  Het stevende op een echte crisis af, maar op de televisie zei de Franse premier (Pompidou) laconiek: Ach, het is maar een klein groepje (C’est n’est qu’un groupuscule’). De volgende dag demonstreerden tweehonderdduizend studenten met grote borden waarop stond: nous sommes un groupuscule! Prachtig voorbeeld van een geuzennaam.

Afgelopen zaterdag had ik ook zo’n ervaring. Het was inloopochtend op het ROC, meestal een tamelijk rustig gebeuren met individuele voorlichting over onze opleidingen. Gemiddeld komen er dan voor techniek op de hele ochtend zo’n 100 bezoekers in de twee uur dat we open zijn. Ik bemenste de ontvangst op Stappegoor, samen met Annet van de receptie en twee stewardessen (studenten, voor hen is dit stage), dus op veel momenten overtrof het ontvangstcomité  de bezoekers in aantal. Ach, er zijn ergere zaken en het regende flink, dus niet dat je een prachtige ochtend thuis in de tuin miste.

Om half elf kregen we een telefoontje: of een groepje Turkse leerlingen mocht komen kijken? Nou, dacht ik, een groepje – die kan ik wel even de school laten zien, geen probleem. Oke dus. Tien minuten later draaide een enorme touringcar de parkeerplaats op en daar bleven maar Turkse jongens en meisjes uitstromen. Pas toen het er 50 waren hield het op.

50! Dat is toch geen klein groepje? Maar ja, ze stonden er en ik moest er iets mee dus vooruit met de geit. Het waren jongeren uit Zuid-Oost Turkije, Koerden dus, en ze spraken geen woord Engels – maar er was een tolk bij. Ik heb ze de school laten zien en dat ging goed maar het was ook vreemd. Hebt u weleens een groep toegesproken met behulp van een tolk? Dat is een vervreemdende ervaring. Les één uit het onderwijs is immers dat je oogcontact maakt met de mensen tegen wie je praat, en dat deed ik dan ook, maar ja, wat ik praatte, daar verstonden ze geen woord van.

Dat gold voor mij natuurlijk ook: de Turkse collega die hen begeleidde stelde af en toe een vraag waarbij hij me indringend aankeek – maar mijn Koerds is niet meer wat het geweest is dus ik verstond geen jota.  Hij was vooral erg geïnteresseerd in het financiële aspect: kregen wij genoeg geld van de overheid en hoe konden wij zulke dure spullen aanschaffen (f-16, Alouette, de robot-armen bij mechatronica).
Ik legde uit dat wij voor studenten luchtvaarttechniek een hogere vergoeding kregen dan gemiddeld, vanwege de hoge kosten. Toen vroeg hij ook nog wat ik verdiende toen ik dat gezegd had zei hij  grinnikend (en mij aankijkend dus ik grinnikte ook maar hoewel ik niet wist wat er ging komen) dat hij hier wel wilde komen werken.

En tenslotte dacht Harry, docent luchtvaarttechniek, te scoren door de groep te wijzen op het landingsgestel van een NF-5: ‘Turkije vliegt met die toestellen!’ Maar dat bleek achterhaalde info.
‘Nee’, vertaalde de tolk de opmerking van een andere begeleider, ‘Even geleden is een Turkse NF-5 uit de lucht geschoten door de Syrische luchtmacht, en nu vliegen ze er niet meer mee.’
Kijk, dat stamt uit een aanzienlijk grimmigere werkelijkheid, maar ik werd hartelijk bedankt voor mijn rondleiding en gecomplimenteerd met onze school.

> Vorige aflevering Brave new world

Deel dit artikel