28 januari 2021

Einde studiebeurs in zicht

COLUMN | In april 2009 was het veertig jaar geleden dat vele honderden studenten het gebouw van de Katholieke Hogeschool Tilburg (nu Universiteit van Tilburg) bezetten. Een voor die tijd ongekende en in de ogen van de gevestigde orde zelfs ongehoorde gebeurtenis. De Tilburgse studenten kwamen, in navolging van de studentenopstand in Parijs in mei ’68 en nog vóór de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam, in het geweer tegen de verkalkte structuren van het hoger onderwijs.

Het breekijzer van het protest had in aanvang onmiskenbaar effect. Er kwam wetgeving om het bestuur op de universiteit te democratiseren en de financiële drempels om te kunnen studeren werden min of meer geslecht met de invoering van een algemene studiebeurs, met behoud van een relatief laag collegegeld.

Nu staan we waarschijnlijk opnieuw aan de vooravond van een historische omwenteling en gaan we het beleven dat het in de wereld tamelijk unieke stelsel van een algemeen recht op studiefinanciering een zachte dood gaat sterven. De economische crisis dwingt de overheid tot drastische ingrepen in de uitgaven en ook het (hoger) onderwijs zal zijn aandeel moeten leveren. Nu kan het kabinet dat doen door stevig de kaasschaaf te hanteren, maar dat zou wel eens heel schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. En dat is het laatste wat wij in onze kennissamenleving kunnen gebruiken.

Dus zal de ‘stufi’, zoals studenten dat noemen, er aan moeten geloven. En waarom ook niet. Het volgen van een studie is, in de woorden van oud-minister van Onderwijs Jo Ritzen (PvdA), nou eenmaal een investering in je eigen toekomst en waarom zou de belastingbetaler daar zo ruim aan moeten meebetalen?

Die gedachte dat studenten zelf maar hun studie moeten bekostigen, komt niet zomaar uit de lucht vallen. Zes jaar geleden voorspelde ik in deze rubriek dat afschaffing van de beurs slechts een kwestie van tijd zou zijn. Dat was naar aanleiding van een rapport van het Centraal Planbureau, waarin, op basis van internationaal vergelijkend onderzoek, het voorstel werd gelanceerd voor een sociaal leenstelsel.

Tijd rijp
Dat plan verdween toen in de la, maar zeker niet onder het stof. Nu is de tijd er rijp voor. Er zijn geen tekenen die wijzen op massaal verzet van studenten zoals we dat tot aan de jaren negentig nog kenden. Dat komt misschien wel omdat de studiefinanciering al sterk is uitgekleed. Kijk maar eens naar de bedragen. Bij de introductie in 1986 lag de basisbeurs voor een uitwonende student op (omgerekend) 274,78 euro, nu is dat 259,76 euro. Weliswaar inclusief OV-kaart, maar het bedrag is niet meegegroeid met de inflatie. En het collegegeld is in die periode stapsgewijs verhoogd van ongeveer 660 euro naar 1620 euro nu.

Is de afschaffing van de beurs en de invoering van een leenstelsel verantwoord? Naar mijn idee wel en dan wil ik niet zo flauw doen door te verwijzen naar het consumptiepatroon van de studenten. Het systeem dat wij kennen is heel genereus. En dat voor studenten die later veelal een hoger salaris zullen verdienen dan hun generatiegenoten met een lagere opleiding die niet doorstuderen.

Ook de tegenwerping dat afschaffing van de beurs (in de zin dat het een gift van de staat is) leidt naar een terugkeer van een elitair hoger onderwijs snijdt geen hout. Eerdere bezuinigingsmaatregelen hebben  ook niet geleid tot een beperking van de instroom. En kijk eens hoeveel allochtone studenten een universitair diploma halen zonder een cent studiefinanciering. Die hebben namelijk, als ze op de universiteit belanden, hun recht op studiefinanciering al vaak verbruikt omdat ze al een lange weg in het onderwijs hebben afgelegd. Als snijden in de uitgaven voor hoger onderwijs onontkoombaar is, dan is een hervorming van de studiefinanciering een van de minst kwade maatregelen.
[Geplaatst Brabants Dagblad 29 september 2009]

Deel dit artikel