27 oktober 2020

Handelingsverlegenheid erkend bij onderwijs aan kind met Downsyndroom

JURIDISCHE KWESTIE | Met rasse schreden nadert de datum van augustus 2012, het moment dat, volgens de huidige planning in Den Haag, passend onderwijs wettelijk definitief van kracht wordt. Een ingrijpende vernieuwing die de positie van de ouders versterkt, omdat voor elk bestuur de opdracht geldt dat aan iedere aangemelde of toegelaten leerling een passend onderwijsaanbod moet worden geboden.

Verschillen van mening tussen ouders en bestuur zullen gaan over wat in een concreet geval onder passend moet worden verstaan. Hoewel er nog geen jurisprudentie is – de wet is immers nog niet van kracht -, is het toch interessant om te volgen hoe rechters nu al oordelen over situaties zoals die zich straks mogelijk gaan voordoen.

Zoals in het geval van een kind met het Downsyndroom op een reguliere basisschool in het noorden van het land. Op zichzelf niet zo bijzonder, want ongeveer 1500 kinderen met een Downsyndroom gaan naar een gewone basis- of middelbare school. In augustus 2003 was het betreffende kind, een jongen van vier jaar, geplaatst in een kleutergroep. De schoolleiding had in een schriftelijke afspraak wel het voorbehoud gemaakt dat, als de situatie dat nodig maakte, er een eind kon komen aan het verblijf op de school.

Aanvankelijk ging het, ondanks dat er in de dagelijkse praktijk zo nu en dan hobbels moesten worden genomen, goed met het kind, tot het in de combinatiegroep 3/4 belandde. Vanaf dat moment achtte de school het niet meer verantwoord om het kind door te laten stromen naar de volgende groep, eveneens een combinatieklas. De schoolleiding liet aan de ouders weten de leerling te willen verwijderen en voor hem op zoek te gaan naar een andere school. De leerkrachten en begeleiders van de reguliere school achtten hun specifieke deskundigeheid niet langer toereikend om nog het gewenste onderwijs op maat te leveren. In vaktermen: de school vond zich handelingsverlegen.

De ouders waren het met dat besluit niet eens en stapten naar de voorzieningenrechter. Ze beriepen zich onder meer op artikel 8, lid 1,  van de Wet op het primair onderwijs (Wpo), dat stelt dat het onderwijs zodanig ingericht moet worden ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en dat het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. De ouders waren er niet van overtuigd dat de school alles uit de kast had gehaald om hun kind ‘binnenboord’ te kunnen houden. Zo zou de school hebben nagelaten om externe experts serieus te raadplegen.

Rechter terughoudend

De rechter stelde in zijn uitspraak de school in het gelijk en verwees daarbij onder meer naar het discretionair karakter van artikel 40, lid 1 Wpo, dat gaat over toelating en verwijdering van leerlingen. Volgens de rechter houdt dit in dat het aan het bestuur is om, op grond van zijn onderwijskundige inzichten, tot een belangenafweging te komen en dat een rechterlijke toetsing daarom terughoudend dient te zijn.

Op basis van hetgeen beide partijen tijdens het geding naar voren hadden gebracht, was de rechter ervan overtuigd dat directie en leerkrachten zich gedurende vijf jaar ‘naar onbetwist vaststaat’ intensief hadden ingespannen voor de jongen en dat ook de externe experts hadden vastgesteld dat er sprake was van handelingsverlegenheid. Dat laatste door de rechter omschreven als ‘de toestand dat een school in de gegeven situatie niet meer kan voldoen aan de zorgbehoefte van een leerling’.

Verder overwoog de rechter dat de school met zijn besluit bepaald niet over een nacht ijs was gegaan en goed had onderzocht hoe het feitelijk ging met het kind in groep 3/4. In vergelijking met zijn klasgenootjes bleef het kind steeds meer achter in zijn ontwikkeling en door zijn afwijkend gedrag werd het steeds meer een buitenbeentje in de groep. Een overstap naar de combinatiegroep 5/6, die 25 leerlingen telde, zou alleen maar moeilijker maken in de zorgbehoefte van de betreffende leerling te voorzien. Bovendien zou daardoor het onderwijs aan de overige leerlingen in het gedrang kunnen komen, aldus de rechter.  

[Eerder gepubliceerd in SBM]

Deel dit artikel