22 oktober 2020

Promovendus: ‘Studiehuis kreeg niet de kans zich te ontwikkelen’

NIJMEGEN | NIEUWS | De vernieuwing van het onderwijs in de tweede fase van havo en vwo kwam niet van de grond omdat het studiehuis (het didactisch concept) niet de kans heeft gekregen zich te ontwikkelen. Ongunstige condities en tegengestelde beleidsmaatregelen van de overheid vormden belangrijke obstakels. Uit het mislukken van deze vernieuwing zijn echter niet de goede lessen getrokken.

Dat is de strekking van het proefschrift ‘Anders kijken naar het studiehuis’ van docentenopleider Thérèse Carpay (1946) waar ze op gepromoveerd is aan de Radboud Universiteit Nijmegen. De promovendus onderzocht de invoering van het studiehuis om na te gaan waarom deze grootschalige onderwijsvernieuwing het niet heeft gered. Maar, vooral, welke lessen er geleerd kunnen worden met het oog op toekomstige vernieuwingen. Carpay ontwikkelde een model dat daar als een soort checklist voor gebruikt kan worden.

Volgens de promovendus is er een complex aan factoren dat er voor gezorgd heeft dat het idee van het studiehuis nooit uit de verf is gekomen. Het studiehuis moest een antwoord zijn op veranderende (maatschappelijke) omstandigheden: de leerling moest centraal komen te staan en docenten zouden moeten leren omgaan met verschillen. Het draagvlak voor dit concept was onder leraren aanvankelijk groot, maar als de invoering een steeds moeizamer verhaal wordt, haken zij steeds meer af.

♦ Het 2College Cobbenhagen in Tilburg behoorde tot de scholen die voorop liepen bij de vernieuwing van de tweede fase voortgezet onderwijs, i.c. het studiehuis.

Carpay noemt een hele reeks oorzaken. Nascholing om docenten vertrouwd te maken met het studiehuis kwam bijvoorbeeld nooit van de grond. Leraren hadden trouwens weinig tijd om zich met vernieuwingen bezig te houden. Op de meeste scholen ontbrak het ook aan een noodzakelijke, gemeenschappelijke visie van leraren, schoolleiding, ouders en leerlingen op onderwijsvernieuwing. De vrijheid die de overheid enerzijds gaf voor een pedagogisch-didactische invulling, nam ze met de andere hand weer terug met gedetailleerde regelgeving voor de inhoud van het onderwijs. Ook had de overheid te weinig geduld en greep ze te snel en te hard in, het studiehuis kreeg niet de kans te rijpen.

Aandachtspunten

De promovendus heeft zeven aandachtspunten die volgens haar de nieuwe minister van Onderwijs moet nalopen alvorens een onderwijsvernieuwing in te willen voeren. Een van die punten betreft het serieus betrekken van leraren en leerlingen bij de plannen. Verder is het noodzakelijk dat het hoger onderwijs zich niet langer vrijblijvend opstelt in dit soort processen. De vernieuwing van de tweede fase kwam er op verzoek van het hoger onderwijs om de aansluiting te verbeteren, maar toen puntje bij paaltje kwam hield men geen rekening met die veranderingen en werden nieuwe eisen gesteld.

Een ander punt is dat bij de invoering van vernieuwingen onvoldoende de waardevolle aspecten van het traditionele onderwijs worden gerespecteerd. Carpay noemt als voorbeeld in het studiehuis de focus op de leraar als begeleider, ten koste van de klassikale instructie door een inspirerende docent. Deze modellen hadden met elkaar verweven moeten worden, stelt Carpay.

Ze betrok in haar promotieonderzoek het rapport van de parlementaire commissie Dijsselbloem over de onderwijsvernieuwingen van de jaren negentig en concludeert dat een aantal aanbevelingen van de commissie om toekomstige debacles te vermijden niet zullen werken. Zo vindt Carpay dat het nieuwe adagium ‘de overheid gaat over het wat, de scholen over het hoe’ niet realistisch. Vakinhoud en pedagogisch-didactische aanpak zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en zullen dus in samenhang bezien moeten worden.

Carpay vindt het een misser dat de commissie Dijsselbloem in haar aanbevelingen geen oog heeft gehad voor het nastreven van de interne doelen van het onderwijs, zoals het bevorderen van de motivatie van leerlingen en het beter omgaan met verschillen. Al met al concludeert Carpay dat de onderwijsvernieuwingen in het verleden erg veel van leraren en leerlingen gevergd hebben, maar dat het resultaat teleurstellend was. ´Hoewel het studiehuis en het competentiegericht leren bedoeld zijn om het onderwijs aan te passen aan de tijdgeest, is het lesgeven op veel scholen nauwelijks veranderd´, stelt de promovendus vast.


* Thérèse Carpay (Eindhoven, 1946) studeerde sociologie in Tilburg en Nijmegen. Van 1986 tot 1998 was ze leraar maatschappijleer aan een school voor havo en vwo. In die periode was ze zowel binnen als buiten de school betrokken bij de ontwikkeling van het studiehuis. Na haar docentschap was ze tien jaar lerarenopleider aan het Instituut voor Leraar en School van de Radboud Universiteit Nijmegen. Sinds maart 2010 is Thérèse Carpay voorzitter van de syllabuscommissie die is belast met het operationaliseren van het examenprogramma voor het nieuwe vak Maatschappijwetenschappen op havo en vwo. Ze is oud-voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer (NVLM).
 

Deel dit artikel