20 oktober 2020

Zonder gedragsverklaring geen baan in het onderwijs

JURIDISCHE KWESTIE | In het najaar van 2006 veroorzaakte een tv-uitzending over (veroordeelde) pedofielen ophef in de media, omdat daaruit bleek dat deze in een enkel geval, ondanks hun verleden van seksueel misbruik, werkzaam waren in het onderwijs. Er volgden schriftelijke vragen van Tweede Kamerleden en de minister van Justitie zag zich genoodzaakt om een brief aan de Kamer te schrijven en daarin aan te kondigen het beleid ten aanzien van de verstrekking van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor het onderwijs aan te scherpen. De criteria op grond waarvan een VOG voor een aanstelling in het onderwijs zou kunnen worden geweigerd werden door de minister aanzienlijk opgerekt.

Deze verklaring – die in de volksmond een verklaring van goed gedrag wordt genoemd – komt voort uit artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en dient een sollicitant te overleggen als hij reageert op een vacature in het onderwijs. Dat geldt niet alleen voor de eerste baan, maar ook als hij of zij naar een baan bij een andere werkgever in het onderwijs wil overstappen.

De achterliggende gedachte is dat mensen die strafbare feiten hebben gepleegd in bepaalde omstandigheden een risico kunnen vormen voor de specifieke omgeving waarin zij werken. Voor het onderwijs geldt dat het personeel werkt met leerlingen, die in een in mindere of meerdere mate afhankelijk kunnen zijn van docenten of assistenten en dat misbruik op de loer kan liggen.

Om te beoordelen of een aanvraag voor een verklaring gehonoreerd kan worden, doet het Centraal Orgaan VOG namens de minister van Justitie onderzoek in een landelijke database van Justitie, waarin is vastgelegd of en op welke wijze een burger met de politie of de rechter in aanraking is geweest en of er strafbare feiten bekend zijn. Daarbij kan het ook gaan om vermoedens van betrokkenheid bij zedenzaken. Het Centraal Orgaan behandelde tussen april 2004 en november 2006 ruim honderdduizend aanvragen, waarvan er enkele tientallen op grond van het onderzoek in de justitiële dossiers, werden afgewezen.

Als een sollicitant geen verklaring (die niet ouder dan zes maanden mag zijn) kan overleggen, dan mag een schoolbestuur de betrokkene niet in dienst nemen. De inspectie van het Onderwijs controleert tegenwoordig op dat punt de administratie van de school.

Het strafrechtelijk verleden hoeft niet alleen betrekking te hebben op een kwestie die zich in het onderwijs heeft afgespeeld. Dat  merkte een docent die eerder veroordeeld was voor verkrachting van een volwassen vrouw. Toen hij een aanvraag voor een VOG indiende, kreeg hij nul op het rekest. Zijn veroordeling zat immers in de databank van Justitie. De docent pikte dat niet en stapte naar bestuursrechter, die hem zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep in het ongelijk stelde.

Strafbare feiten

De leraar voerde onder meer als verweer aan dat de verkrachting in de privé-sfeer had plaatsgevonden en dat hij in zijn lange loopbaan in het onderwijs nimmer strafbare feiten had gepleegd ten aanzien van leerlingen. Maar de Raad van State bleek niet gevoelig voor dit argument. “Het gaat erom of de strafbare feiten, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat.” In zijn uitspraak wees het hoogste rechtscollege erop dat het doel van wet- en regelgeving, die ten grondslag ligt aan het beleid voor de gedragsverklaring, nou eenmaal is om kwetsbare groepen, zoals leerlingen, te beschermen tegen misbruik van macht of gezag.

Dat de leraar door het weigeren van een VOG persoonlijk ernstig nadeel ondervond, zoals hij aanvoerde, legde voor de Raad van State onvoldoende gewicht in de schaal om hem in het gelijk te stellen.  

[Eerder gepubliceerd in SBM, januari 2009] 

Deel dit artikel