9 december 2019

Promovendus: De school als oefenplaats voor democratie, dat werkt

ACHTERGROND | Drs. Sophie Verhoeven uit Boxtel promoveert op vrijdag 12 oktober 2012 aan de Universiteit Utrecht op burgerschapsvorming in het primair onderwijs. Zij deed onderzoek naar de effecten van een programma. Haar conclusie: burgerschapsvorming in de klas werkt.

Het zijn lastige woorden ‘democratie’ en ‘burgerschapsvorming’, zegt drs. Sophie Verhoeven. “Het zijn op zich positieve begrippen, waar je niks op tegen hebt. Maar het zijn ook begrippen waar je heel veel onder kunt verstaan. Misschien dat scholen er daarom moeite mee hebben om er invulling aan te geven. Ook de Onderwijsraad stelde dat onlangs vast in een nieuw advies over burgerschapsvorming.”

Het is al meermalen vastgesteld dat veel scholen nog altijd worstelen met de wettelijke taak – geformuleerd in de kerndoelen – om inhoud te geven aan burgerschapsvorming. Terwijl het al ongeveer twintig jaar op de agenda van het onderwijs staat. In de jaren negentig stelde politiek Den Haag vast het onderwijs zich meer bezig moest gaan houden met de multiculturele samenleving. Met name scholen in de stedelijke gebieden werden door de instroom van migrantenkinderen steeds kleurrijker.

Aanvankelijk ging het over de invoering Intercultureel Onderwijs dat scholen moest helpen om een balans te vinden voor de nieuwe verhoudingen in de scholen en in de samenleving. Een moeizame aangelegenheid, want na tien jaar constateerde de Tweede Kamer dat maar weinig scholen daadwerkelijk deze taak hadden opgepakt. De aanslagen op 11 september 2001 in Amerika maakten het onderwerp opnieuw actueel. Plots werden, net als in de rest van de samenleving, op scholen spanningen zichtbaar tussen groepen leerlingen van verschillende afkomst.

In 2006 werd onder minister Van der Hoeven het bevorderen van ‘actief burgerschap en sociale integratie’ als wettelijke opdracht aan de scholen opgenomen in de kerndoelen. Maar daarmee was allerminst een degelijke verankering van burgerschapsvorming verzekerd. Scholen waren nog altijd op zoek naar een programma om aan de slag te gaan. Voor hoogleraar pedagogiek Micha de Winter van de Universiteit Utrecht aanleiding om samen met schoolbegeleidingsdienst Eduniek het programma Democratische Burgerschapsvorming in de basisschol te ontwikkelen. De Winter is ervan overtuigd dat individu en samenleving er baat bij hebben als kinderen al op school leren en vooral ervaren wat democratie betekent.

Weerbarstig
Maar werkt deze aanpak dan wel? Biedt het scholen handvatten om dat weerbarstige maar zo belangrijke onderwerp van burgerschapsvorming handen en voeten te geven? Dat heeft Sophie Verhoeven, tegenwoordig als adviseur werkzaam bij KPC Groep, in het kader van haar proefschrift onderzocht. Om een mogelijk misverstand te vermijden, ze heeft het programma niet zelf ontworpen, maar gedurende een heel jaar de werking ervan beproefd op acht basisscholen met uiteenlopende kenmerken.
Haar algemene conclusie: Het programma heeft vooral een gunstige invloed op het klasklimaat en het gedrag van leerlingen. Met daarbij de kanttekening dat de effecten afhankelijk zijn van de context waarin de school opereert en de leeftijd van de leerlingen.

“In Nederland hebben scholen veel ruimte om zelf te bepalen hoe ze de kerndoelen uitvoeren. De overheid gaat over het wat, de scholen over het hoe. Je kunt burgerschapsvorming als school heel smal definieren en beperken tot bijvoorbeeld een les in de week waarin je kennis overbrengt. Maar je kunt het thema ook breed zien. Burgerschap is dan niet alleen kennis van onze democratische rechtstaat, maar het voorbereiden van leerlingen op hun deelname aan de democratische maatschappij. Het krijgen van een stem, participatie en het vreedzaam willen oplossen van conflicten zijn dan ook belangrijke onderwerpen. Dit kun je vormgeven door de school te ontwikkelen tot democratische gemeenschap.” Het ideaal van burgerschapsvorming komt in de ogen van Verhoeven in dat laatste model pas goed tot zijn recht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Groepsvergadering
Het hart van het programma wordt gevormd door Groepsvergadering. Leerlingen gaan met elkaar in gesprek over onderwerpen die er voor henzelf toe doen. En ze nemen er samen, op een democratische manier, besluiten over. Dat kan gaan over waar het jaarlijkse schoolreisje naar toegaat, maar ook hoe kinderen met elkaar omgaan, over het oplossen van conflicten.

“De Groepsvergadering is geen debat tussen leerlingen, want dan gaat het vaak om wie wint en wie verliest. Het is een dialoog. Kinderen leren hun mening te geven, te luisteren naar elkaars argumenten, maar ook te reflecteren op hun eigen standpunten.” Kinderen krijgen dus echt inspraak en ervaren dat hun mening gewicht in de schaal legt. Dat kan, zo laat het onderzoek zien, ook een positieve invloed hebben op het sociaal-emotionele klimaat.

Rol leerkracht
En het is algemeen bekend dat een goede sfeer in de klas en een veilige schoolomgeving kinderen er toe bij kunnen dragen dat kinderen ook in cognitief opzicht betere resultaten laten zien. Maar hoe dan ook, een succesvolle burgerschapsvorming staat of valt met de inbreng van de leerkracht. Diens rol is cruciaal, benadrukt Verhoeven. “De invoering van burgerschapsvorming begint dan ook met het formuleren van een gezamenlijke visie. Leerkrachten en directie moeten met elkaar vaststellen wat de normen en waarden zijn die hun school centraal stelt. En ze zullen ook met elkaar in gesprek moeten over hoe zij zelf in het leven staan, wat hun eigen opvattingen zijn”, aldus Verhoeven.

In die zin is de school niet alleen een oefenplaats voor democratie voor de kinderen, maar evenzeer voor het personeel. Vroeger was die visie min of meer een gegeven omdat de samenleving toen nog verzuild was en er nauwelijks (culturele) diversiteit was. Ook de school conformeerde zich aan het normen- en waardenpatroon van de eigen zuil.

Het programma dat Verhoeven heeft onderzocht bestaat overigens niet meer in deze vorm, Een aantal belangrijke elementen zijn opgenomen in het al langer bestaande concept van De Vreedzame School, wat inmiddels al op vijfhonderd basisscholen wordt ingezet bij burgerschapsvorming. In Brabant zijn het overwegend basisscholen in en om Den Bosch en Eindhoven.

Modelburgers
Hebben we straks dankzij de aandacht voor burgerschapsvorming in het onderwijs alleen nog maar modelburgers? Dat is niet het doel, legt Verhoeven uit. “Onderwijs heeft als belangrijke taak om leerlingen voor te bereiden op hun deelname aan de samenleving. Aandacht voor burgerschapsvorming hoort daarbij. Leerlingen binnen de school ervaringen op laten doen en zodoende competenties laten ontwikkelen die zij later ook nodig hebben in onze democratische samenleving. Maar hoe ze zich later als burger opstellen, wat voor standpunten ze innemen, dat is aan henzelf.”

• Op de foto: Sophie Verhoeven tijdens een debat in Breda over burgerschapsvorming in het kader van de Nationale Onderwijsweek

 

          Kamerdebat na 9/11
          Tijdens de bespreking van de begroting van OCW in december 2001 werd er van alle kanten op aangedrongen om serieus werk te maken van burgerschapsvorming in het onderwijs. Dat was drie maanden na de aanslagen in Amerika. Het Kamerlid Barth (PvdA) verwoordde de noodzaak indertijd aldus: ‘Op school leren kinderen [bovendien] dat er verschillen bestaan tussen mensen, opvattingen, gevoelens en ervaringen. Leren omgaan met verschillen, verschillen leren waarderen en respecteren, dat is de basis van burgerschap. Rond het concept burgerschap komen de verantwoordelijkheid van ouders, school en overheid in het grootbrengen van kinderen samen. Zij groeien ook op als lid van een gemeenschap: de Nederlandse samenleving. Daarin zullen zij hun weg moeten kunnen vinden. De school is bij uitstek geschikt kinderen de daartoe noodzakelijke kennis en vaardigheden bij te brengen.’

Deel dit artikel