18 maart 2019

Wil de echte Turk opstaan? [1997]

COLUMN GERARD SANBERG

Mustafa Kemal Atatürk (1881 – 1938) grondlegger van de Turkse republiek en eerste president.

COLUMN | BEROEP: ONDERWIJS | AFSCHEIDSTOERNEE | Ik zit achter in de klas en knijp mijn tenen samen in de hoop dat het zo nog weken doorgaat: laat dit niet ophouden. En inderdaad: het houdt niet op want het gaat maar door. Wat dan? Waar heb ik het over?

De klas is in gesprek met zichzelf, over buitenlanders, over seks en over de Islam (bien étonné de se trouver ensemble).

Deze klas functioneert sociaal gezien niet goed. Van tijd tot tijd is er ruzie en de problemen concentreren zich rondom drie Turkse jongens. Die klitten samen en één van hen heeft zo’n irritante en dominerende inbreng, dat dat de lessen regelmatig verstoort. Hij is te serieus bezig, vindt de klas, en hij trapt ook overal in. Dat maakt hem tot een dankbaar object en regelmatig krijgt hij te horen: “’Ge lekt wel unne grèèze wolluf, gij.

En nu? Nu houden ze een spreekbeurt. Twee Turkse jongens hebben het over ‘Het verschil in houding t.o.v. seks tussen buitenlandse en Nederlandse jongeren.’

Het is, vind ik, ontroerend. Ze zijn allebei in Nederland geboren, ze spreken goed Nederlands en nauwelijks Turks, in de achttien jaar van hun leven zijn ze een paar keer op vakantie geweest in Turkije. En als ze het over ‘bij ons’ hebben bedoelen ze: in Turkije. En hoe gaat het dan ‘bij ons’?

Het beeld dat ze schetsen is een ideaalbeeld, wordt al snel duidelijk. Het is hoe zij vinden dat het zou moeten zijn, in Turkije, onder echte moslims. Het heeft niet zoveel te maken met hoe het er werkelijk aan toe gaat, daar. De Nederlandse jongens voelen dat wel aan en stellen slimme vragen zonder lullig te worden. De Turkse jongens gaan steeds verder in hun idealisering. Iedereen die daar niet aan beantwoordt (de rijke mensen in Turkije, de bedorven mensen in Turkije, de westerse mensen in Turkije, de moderne mensen in Turkije, ja, de mensen in Turkije die in contact komen met de westerse toeristen, enz enz) is eigenlijk geen echte Turk. En in elk geval geen echte moslim.

Stilaan begint het er op te lijken dat een echte Turk ‘het’ helemaal niet doet, dat seksgedoe. Dat dat iets typisch westers is, neuken en zo. Maar de gedachtewisseling gaat verrassend lang door: serieus, onderbroken door grappen die het gesprek een lichtere toets geven maar niet afbreken. De verlossende ontknoping is tenslotte, dat de Turkse jongens zelf ook niet aan hun ideaalbeeld blijken te beantwoorden. Ze zijn wel eens gezien in de disco, ze zijn wel eens gezien met een glas bier in hun hand, ze zijn wel eens gezien met een meisje … en één van de Nederlandse jongens zegt: ‘Ach, jullie zijn zelf ook geen echte Turken, en volgens mij is dat maar goed ook want zo is er toch geen lol aan.’

Waarop de hele klas een lachbui krijgt en goedgemutst het lokaal verlaat. Ik wou dat al mijn lessen zo liepen.

 

Deel dit artikel