25 april 2017

Hoe de hoofdinspecteur een kwartje werd

Opinie logoCOLUMN | In de tijd dat mijn vader hoofd van de katholieke jongensschool was – jaren vijftig en zestig vorige eeuw – was het nog geen uitgemaakte zaak dat je zomaar van een dubbeltje een kwartje kon worden. Of je na de lagere school verder mocht leren hing voor een belangrijke deel af van in welk nest je geboren was.

Mijn vader – inmiddels 95 jaar – vertelde vroeger vaak het curieuze verhaal van een jongen uit het gezin van een keuterboer. Op de lagere school bleek dat de jongen (hoog)begaafd was. Mijn vader adviseerde de ouders om hun zoon naar de HBS te laten gaan. Maar vader en moeder wilden daar niet van weten. Hun antwoord in het dialect kwam neer op: Leren is niet voor ons soort mensen. Daarom verzon mijn vader een list. Hij schakelde de pastoor in, die de ouders kon overtuigen om hun kind naar het seminarie (priesteropleiding) te sturen.

Om een lang verhaal kort te maken, de jongen is begonnen aan het seminarie, maar stapte enkele jaren later over naar het seculiere middelbaar onderwijs. Na het behalen van een diploma vervolgde hij zijn studie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, om medisch specialist te worden.

Ik heb lang gedacht dat met de introductie van de Mammoetwet in 1968 het verschijnsel van onderwaardering van begaafdheid sterk was afgenomen. Zeker waar het autochtone kinderen betreft; voor allochtone kinderen is dat een ander verhaal. Tot ik vorige week de schoolloopbaan hoorde van Arnold Jonk, nota bene hoofdinspecteur van het primair onderwijs. Op een bijeenkomst van schoolleiders in Oost-Brabant vertelde hij dat hij opgroeide in een gezin in Hoofddorp waar men helemaal niet vertrouwd was met leren en studeren.

De jonge Arnold leek het een goed idee als hij na de lagere school – we schrijven 1981 – naar de mavo zou gaan. Toen zijn directeur daarvan hoorde, riep hij de ouders op het matje. Die jongen mag niet naar de mavo, hield hij de geschrokken ouders voor. Arnold kan zo goed leren, die moet naar het vwo! Aldus geschiedde en de rest is bekend.

De hoofdinspecteur zei dat hij die schooldirecteur eeuwig dankbaar is omdat die een beslissende wending aan zijn leven heeft gegeven. “En dat deed hij niet omdat het in het toezichtskader van de inspectie stond”, voegde hij er met een vleugje ironie aan toe.
Deze twee casussen laten zien dat hoe het nog altijd mensen – en niet per se systemen – zijn die het verschil kunnen maken.
[Deze column is ook geplaatst op Didactief Online]

Print Friendly