16 juli 2019

‘Passieve student krijgt impuls van kritisch leren denken’

             INTERVIEW | Hoe krijg je leerlingen, studenten zover dat ze een actievere rol gaan spelen in hun eigen leerproces? Paul Delnooz (51), lector aan Avans Hogeschool, is ervan overtuigd dat het helpt als je ze kritisch leert denken. Nou ja overtuigd, in het koor van vele filosofen zegt hij: De waarheid bestaat niet.  

De studenten worden er soms helemaal gek van. Hoe lector Paul Delnooz in zijn colleges, of in een-op-een gesprekken, altijd maar weer tegenwerpt: Niets is zeker, trek alles wat je hoort, ziet of leest in twijfel want de waarheid bestaat niet. Het is de basis van zijn methode Creatieve Actie Methodologie, een onderwijskundige aanpak die er op gericht is van leerlingen en studenten kritische denkers te maken. Want met kritisch denken geef je ze een actieve rol in het leerproces en dat maakt het onderwijs voor hen aantrekkelijker. En bovendien zijn afgestudeerden die zich het vermogen tot kritisch denken eigen hebben gemaakt, beter toegerust voor de maatschappij van morgen en overmorgen. Want kritisch denken, is de stelling van Delnooz, is het voorportaal naar creatief denken, en dat is wat de kenniseconomie zo hard nodig heeft.

   Delnooz heeft inmiddels met vele honderden studenten, verspreid over tal van hogescholen in het land, gewerkt en de reacties zijn doorgaans positief. Anders dan van docenten, die het wel als idee toejuichen maar als het erop aankomt soms niets in een toepassing zien. De studenten gaan dan namelijk ter discussie stellen wat er wordt verteld tijdens de lessen en menige docent kan daar, volgens Delnooz,  slecht mee overweg.

> Hoe kwam je erop om deze aanpak te ontwikkelen?
    “Ik gaf al twintig jaar les in het hbo. En telkens weer zag ik volle collegezalen met studenten die ongeïnteresseerd en ongemotiveerd in de collegebanken hingen. Die zaten daar alleen maar met het idee: Ik leer uit het hoofd, maak tentamen en ga naar huis. Dat was mijn motivatie om te onderzoeken of het niet anders kon. Ten tweede was er mijn frustratie over hoe wij onze studenten een doodsaaie, vaak nutteloze scriptie lieten schrijven. Daar ergerde ik me kapot aan. Dat was helemaal niets van henzelf, maar het invullen van een format. Als docent kijk je ernaar en je zegt tegen de student: Dat is een hoop theorie die je mooi hebt samengevat. Vervolgens verdwijnt die scriptie in de kast en niemand die er ooit nog naar kijkt. Doodzonde. Dus ik dacht op een gegeven moment: Hoe kunnen we studenten motiveren en onderwijs leuk laten zijn.”

> Maar ervaren studenten dat ook als nutteloos?
    “De studenten waar je mee spreekt zeggen dat ze in de klas zitten om ‘het papiertje’ te halen. Het onderwijssysteem vanaf de basisschool tot en met de universiteit zit in principe zo in elkaar: de leerkracht vertelt,  je herhaalt dat en als je dat kunstje kent dan kun je slagen. En als je dat nooit anders ervaren hebt dan beschouw je dat als normaal.”

> Beschrijf je aanpak eens.
    “Ik zeg tegen studenten: Pak een praktisch probleem uit je toekomstige beroepenveld, wat je interessant vindt. Dat is trouwens al meteen lastig, want ze hebben er vaak geen idee van wat dat beroep waar ze voor studeren inhoudt. Ze moeten zich in dat probleem verdiepen, er op alle mogelijke manieren informatie over verzamelen. Vervolgens moeten ze er een innovatieve oplossing voor bedenken, en dan begint het spannend te worden. Want houd ik ze voor, zoek argumenten waarom de informatie die je hebt verzameld en de oplossing die je bedacht hebt niet zouden kunnen kloppen. En ook dat antwoord stel ik weer ter discussie. In essentie gaat het erom dat studenten door krijgen dat er niet één waarheid is, dus dat ze altijd kritisch moeten blijven denken.”

> Je vindt dat docenten moeten uitdragen dat zij niet de waarheid in pacht hebben.
    “Dat is een gevoelige kwestie. Studenten raken ervan in verwarring, want de docent is toch de deskundige? De docenten zeggen vaak dat ze het met mijn theorie eens zijn. Dat het niet werkt als  een docent zijn verhaal houdt en de studenten alleen maar reproduceren. Maar als puntje bij paaltje komt schrikken ze er toch voor terug. Voor een deel is dat denk ik verklaarbaar door het onderwijssysteem waarin wij zitten, dat laat niet toe dat je het zomaar anders aanpakt. Bovendien kunnen groepen niet te groot zijn, pakweg vijftien tot twintig. In de praktijk sta je als docent vaak voor veel grotere groepen. Maar wat vooral speelt is dat docenten het gevoel hebben dat hun autoriteit op de tocht staat, mijn aanpak is voor hen bedreigend. Er zijn er die ervan overtuigd zijn dat zij zélf de deskundigen bij uitstek zijn, hun kennis staat voor hen niet ter discussie. Mijn aanpak stelt hoge eisen aan docenten, zij moeten in staat zijn om die kritische dialoog met studenten aan te gaan en dus hun eigen kennis ter discussie te stellen.

“Na twee maanden heb je andere studenten”

Lector Paul Delnooz (rechts) in gesprek met een hoge ambtenaar van OCW tijdens de uitreiking van de TopTalentPrijs in Breda, 2012.

> Hebben studenten in het hbo ervaring met wetenschapsfilosofie?  
    “Ik leg ze in twee ochtenden of zo uit dat er wetenschapsfilosofisch gezien meerdere waarheidsopvattingen zijn. Wat ik studenten daarmee probeer duidelijk te maken is dat je in staat zijn om bij wat je ziet, schrijft of leest commentaar te geven, kanttekeningen te plaatsen. En als je dat niet kunt dan is er eigenlijk iets mis in je hoofd. Want dan zit je vast in je eigen denken. Dat is soms best lastig. Het is geen gemakkelijk proces maar het lukt door samen veel te oefenen.
De moraal van dit oefenen is dat je je probleem niet moet proberen op te lossen door alleen uit te gaan van de bestaande bronnen, maar ook door brainstormen, door met je opa te praten of wie dan ook,  of een roman lezen, of Suske en Wiske mijn part. Studenten vinden dat, als ze eenmaal zo ver zijn, hartstikke leuk. Na een maand of twee heb je écht andere studenten, ze zijn dan niet meer te houden. Ze willen meer weten, vragen om extra colleges. De motivatie is dan totaal omgekeerd.
   De laatste stap van het project is dat ze een bedrijf of instelling zoeken waar ze hun oplossing kunnen testen. Opdrachtgevers staan vaak verbaasd wat onze studenten dan allemaal al blijken te weten en dat ze met ideeën komen waar ze zelf niet aan gedacht hebben.”

> Is jouw aanpak getoetst door andere wetenschappers?
    “Binnen het onderwijs is het zeer lastig om vast te stellen in hoeverre er sprake is van oorzaak en gevolg. De resultaten van een experiment in een klas worden immers beïnvloed door allerlei factoren. Wel zijn er enkele overkoepelende studies, waarin de resultaten van allerlei onderzoeken met elkaar worden gecombineerd.  Zo is er van de KNAW  bijvoorbeeld eerder een rapport over het rekenonderwijs op de basisschool verschenen waaruit blijkt dat het niet uitmaakt welke rekenmethode je als leerkracht gebruikt. Zo is ook er een overkoepelende studie waaruit naar voren komt dat leerkrachten voor ongeveer vijftig procent het resultaat beïnvloeden. Voordat van mijn aanpak een grootschalige overkoepelende studie plaats kan vinden zijn we jaren verder. Dus voorlopig zullen we het moeten doen met de ervaringen van leerkrachten en studenten die te maken hebben gehad met Creatieve Actie Methodologie. Zij zijn op dit moment de onderzoekers. Gelet op het enthousiasme op de verschillende hogescholen kun je zeggen dat deze mensen positief zijn over de resultaten. ”

> Je gaat nu bij wijze van experiment jouw aanpak ook toepassen in het basisscholen. Staat het basisonderwijs open voor vernieuwing?
    “Er is veel draagvlak, dat heeft mij verrast. We gaan aan de slag op de Toermalijn in Halsteren en de Laurentius in Breda. Al zoekende proberen we twee middagen in de week na te gaan of het überhaupt werkt. Er gaat natuurlijk van alles mis bij deze eerste pogingen, dat kan niet anders, maar dat geeft niet.”  

> Je zegt, onderwijs moet leuk zijn. Maar voor critici is dat vloeken in de kerk, die hebben iets van: Geen flauwekul, ze moeten gewoon leren. Taal, rekenen en vooral veel oefenen.
    “We weten dat automatiseren en uit het hoofd leren positieve effecten heeft. We weten echter ook dat een grote nadruk op automatiseren en uit het hoofd leren zéér weinig extra effect heeft. Wat in het verleden door onderwijsvernieuwers is gezegd van ‘automatiseren is niet meer nodig’, dat was dan ook onzin. Dat hoort er gewoon bij. Dat kinderen moeten weten hoe de d’tjes en t’tjes worden gezet. Dat soort dingen. Je moet een bepaalde feitenkennis hebben. Het idee van ‘Laat het kind maar spelen en dan komt het wel goed’, dat is volgens mij is dat echt niet de goede weg. Maar we moeten een kind meer de ruimte laten om zichzelf te zijn, om te discussiëren – ja ook op de basisschool – want dan blijkt de motivatie toe te nemen.”

> Als je de lijn doortrekt naar de maatschappij, dan is jouw stimuleren van het kritisch denken een bedreiging voor de bestaande orde. Je krijgt kritische burgers en werknemers.
    “Onlangs gaf ik uitleg aan een groep docenten techniek uit Rotterdam. Die zeiden, straks is er geen werkgever meer die onze studenten wil.  Maar klopt dat wel? Stel dat je als werknemer puur doet wat jouw werkgever zegt, dan maak je volgens mij niet snel carrière. Als je nieuwe ideeën hebt, dan kan je doorgroeien, want een bedrijf kan daardoor innoveren. Daar moeten wij het hier toch vooral van hebben.
Kritisch denken is een vorm van democratisering, je ziet het in steeds meer delen van de samenleving. Vroeger kwam alles van boven, nu niet meer. Neem de patiënt die bij de huisarts gaat. Die neemt ook niet alles voor zoete koek aan, hij brengt zijn eigen kennis in.”

          ? Dr. Paul Delnooz (Roermond, 1960) bekleedt aan de pabo van Avans Hogeschool in Breda het lectoraat ‘De innovatieve opleidingsschool’. Hij promoveerde in 2008 aan de Universiteit van Tilburg op het onderwerp de Creatieve Actie Methodologie. Hij studeerde Methoden en technieken van onderzoek op de Universiteit Utrecht. Na zijn afstuderen in 1986 werkte hij achtereenvolgens als onderzoeker aan de Universiteit Leiden en als adviseur bij het Dienstencentrum voor Toerisme en Verkeer in Breda. Daarnaast werkte hij van 1987 tot 2007 als docent op de NHTV in Breda. Hij was lector innovatiemanagement en ondernemerschap aan de Hogeschool Leiden.

Deel dit artikel