22 oktober 2020

De overheid brengt onbedoeld tweedeling aan in het basisonderwijs

GASTOPINIE | door Joop Smits | Kleurrijke scholen worstelen met een negatief imago. Dat is mede het gevolg van het beleid van de overheid. Door kleurrijke scholen midler te beoordelen ontstaat er een tweedeling. Dat stelt Joop Smits, oud-inspecteur van het onderwijs.

Door aan ‘zwarte’ scholen lagere prestatie-eisen te stellen dan aan ‘witte’ scholen, werk je als overheid ongewild mee aan de negatieve beeldvorming van kleurrijke scholen.  Kleurrijke scholen worden door de Inspectie van het Onderwijs veel milder beoordeeld dan de overige scholen.

De leeropbrengsten worden momenteel aan het eind van het basisonderwijs meestal gewaardeerd door de gemiddelde Cito-eindscore van een school minimaal drie opeenvolgende jaren te vergelijken met de scores van scholen met eenzelfde samenstelling van de leerlingenbevolking. Het eindresultaat wordt gecorrigeerd of gecompenseerd in een zogenaamde LG – score (‘LeerlingenGewicht’, ofwel het opleidingsniveau van de ouders).

Op scholen met ‘gewicht’/op kleurrijke scholen worden de ruwe scores gecompenseerd met een bonus, die in de LG -score is verdisconteerd. De Inspectie houdt bij het vaststellen van haar oordeel over de eindopbrengsten rekening met het percentage ‘gewichtleerlingen’ in groep 8.
Het argument daarbij is dat scholen met veel achterstandsleerlingen meer moeite moeten doen om ze over de eindstreep te brengen. Met deze LG -compensatie accepteert de Inspectie echter dat het eindniveau bij schoolverlaters op ‘zwarte’ scholen vier maanden lager mag zijn dan het eindniveau van schoolverlaters op overige ‘witte’ scholen.
Een ogenschijnlijk voordeel is dat met deze LG -compensatie kleurrijke scholen minder kans lopen om als zwakke of zeer zwakke scholen aangemerkt te worden. Maar het echte kwaliteitsniveau wordt geflatteerd.

Kleurrijke scholen
Van de 17 kleurrijke scholen in Midden Brabant in het onderzoek ‘Werkelijke excellentie is schaars (Smits, 2010) zijn de LG – scores van 2007, 2008 en 2009 verzameld. Van de 17 scholen was er één met drie achtereenvolgende jaren een score onder het minimum. Deze school behoorde ook formeel tot de categorie zwakke scholen. In feite hadden echter acht van de 17 scholen in groep 8 een gemiddelde leerachterstand van drie of meer maanden.

Hoewel kleurrijke scholen extra middelen krijgen om achterstanden weg te werken, worden de eindopbrengsten toch milder beoordeeld. De gewichtenregeling is bedoeld om scholen met leerlingen met een minder gunstige uitgangssituatie, extra middelen te verschaffen om goede onderwijskwaliteit te realiseren.

Met de extra formatie en kleinere klassen kunnen vakbekwame leerkrachten de nadelen van een lage sociaal-economische achtergrond en/of een laag opleidingsniveau van ouders neutraliseren of zelfs opheffen. Bovendien wordt in het vervolgonderwijs (en later op de arbeidsmarkt) leerachterstand niet meer gecompenseerd. In tegendeel: er wordt vooral gekeken naar het diploma en het behaalde eindniveau.

Niet marchanderen
Als de norm voor alle scholen hetzelfde is, betekent dat volgens het ministerie van OC&W (brief opbrengstbeoordeling in het basisonderwijs, 12 december 2011) ‘dat de lat voor een school met een gunstige uitgangspositie (hoog opgeleide ouders, weinig maatschappelijke problematiek), hetzelfde is als voor een school met veel leerlingen van lager opgeleide ouders.

Dit laatste gaat geregeld gepaard met (complexe) maatschappelijke vraagstukken. Voor de eerste school is de norm niet prikkelend, voor de tweede nagenoeg niet haalbaar’.
Naar mijn mening mag niet gemarchandeerd worden met de norm c.q. het beoogde eindniveau. We willen toch weten of aan alle basisscholen in Nederland dezelfde prestatie-eisen worden gesteld.

Omdat er nu met twee maten wordt gemeten creëer je in feite eerste en tweede rang basisscholen en werk je als overheid/ inspectie van het onderwijs onbedoeld mee aan een tweedeling in het basisonderwijs.

Het basisonderwijs dient (evenals dat geldt voor andere onderwijssectoren) de zekerheid te bieden dat leerlingen met een minimum eindniveau de school verlaten. Als dit minimum eindniveau door omstandigheden niet haalbaar is, moeten extra maatregelen genomen worden gedurende basisschoolperiode, bijvoorbeeld: meer tijd (een extra leerjaar) om het einddoel wel te bereiken.

Toegevoegde waarde
Als de norm voor alle basisscholen hetzelfde wordt, blijven de opmerkingen van de minister steekhoudend: de lat hoger voor scholen in bevoorrechte omstandigheden? Hoe om te gaan met kleurrijke scholen?
Naast het Eindniveau is een tweede maat nodig: de Toegevoegde Waarde van het onderwijs. Daarbij wordt nagegaan of de eindopbrengst boven of onder het niveau ligt dat op basis van het beginniveau verwacht mag worden.

Met de maat ‘toegevoegde waarde’ worden niet alleen de kleurrijke scholen meer recht gedaan, maar wordt ook het ambitieniveau voor scholen met een gunstige uitgangspositie per definitie aangescherpt.

Naar mijn mening is ‘de toegevoegde waarde van het onderwijs’ voor kleurrijke scholen een betere maat dan een gecompenseerd eindniveau. Op kleurrijke scholen komen leerlingen doorgaans met grote achterstand binnen. Als deze scholen in staat zijn deze leerachterstand op te heffen of zelfs in een voorsprong om te zetten, verdienen ze alle waardering.
Kleurrijke scholen moeten dus allereerst voldoen aan de landelijke norm voor het eindniveau die voor alle scholen geldt, maar kunnen tegelijkertijd laten zien welke bijdrage ze hebben geleverd aan kinderen in achterstandsituaties (met een zwak aanvangsniveau).

Met de maat ‘toegevoegde waarde’ worden ook die scholen met kinderen die van thuis uit al veel bagage meekrijgen, aangesproken op de daadwerkelijk door hen geleverde meerwaarde.
Op scholen met een hoog aanvangsniveau (bijvoorbeeld zeven maanden voorsprong) moet het eindresultaat evenredig stijgen om een voldoende oordeel te krijgen. Een dergelijke norm zal voor deze scholen een stevige prikkel zijn.

                       ? Over de auteur: Joop Smits, Berkel-Enschot. Was 15 jaar Inspecteur van het Onderwijs en is auteur van de publicaties over toegevoegde waarde bij excellente ‘witte’ scholen (Excelleren inspireert, 2009) en toegevoegde waarde bij kleurrijke scholen (Werkelijke excellentie is schaars, 2010).

Deel dit artikel