16 november 2018

‘Productiviteit mag in het onderwijs geen taboe meer zijn’

INTERVIEW | Prof. Marc Vermeulen houdt zich al vele jaren bezig het vraagstuk van de onderwijsarbeidsmarkt en de relatie met de economie. Volgens de Tilburgse hoogleraar, verbonden aan het instituut IVA, staat het onderwijs voor ingrijpende veranderingen. Maar daar is onvoldoende oog voor.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft afgelopen voorjaar een geruchtmakend rapport over de kosten van onderwijs uitgebracht. Hoe definieert u arbeidsproductiviteit?

“Simpelweg is dat de hoeveelheid gewerkte arbeid die je levert per eenheid product. Voor een koekjesfabriek kun je bij wijze van spreken op een bierviltje berekenen wanneer de koekjes te duur worden en het bedrijf over de kop gaat. In de publieke dienstverlening, waaronder onderwijs, is het lastig vast te stellen wat de opbrengst per eenheid product is. We zijn er altijd vanuit gegaan dat je onderwijs als een investering kunt zien omdat je die terugverdient via een hogere arbeidsproductiviteit in de economie als geheel. Slimmere mensen zijn productiever, die verdienen hun eigen inkomen dubbel en dwars terug.  Daarom kun je zowel op individueel als collectief niveau zeggen: een investering in onderwijs is géén consumptie, dus geen weggegooid geld.”

Toch heeft het SCP voor flink wat beroering gezorgd. Begrijpt u dat?

“Ik heb het rapport van het SCP goed bestudeerd. Het is naar mijn idee een keurig nette analyse, zeg ik als wetenschapper. Ik zou de sector willen voorhouden: Ontken het niet, ga niet met je rug naar de werkelijkheid staan. Ik schiet niks op met emotionele betogen van ‘onderwijs is zo belangrijk’. Kom met een beter verhaal als je vindt dat het niet klopt. Wat het SCP zegt is dit. De overheid heeft de afgelopen jaren veel extra geld in het onderwijs gestoken, duidelijk boven inflatieniveau. Hebben we indicatoren dat het onderwijs beter is geworden? Het antwoord is nee!  En dan kun je tegenwerpen dat je productiviteit in het onderwijs niet kunt meten. Wat precies de input is geweest van een extra docent op het individuele leren van een leerling. Dat is ook hartstikke ingewikkeld. Maar we stoppen extra geld in het onderwijssysteem vanuit de gedachte dat er op een of andere manier meer kwaliteit uit komt.”

Praten over productiviteit in het onderwijs is vloeken in de kerk?

“Het is absoluut een taboe. Ik heb het zelf meermalen aangekaart en dat werd mij niet in dank afgenomen. Ik maak mij grote zorgen over de financierbaarheid van onderwijs voor de lange termijn als de productiviteit niet aantoonbaar verbetert. Laten we wel wezen, we gaan economisch door barre tijden. Er moet, om maar eens wat te noemen, vanwege klimaatverandering 6 miljard naar  dijkverhoging. De bevolking vergrijst, vanaf 2027 daalt de omvang. Kort en goed, we krijgen een aantal zeer stevige kostenposten voor de kiezen. Dan is het minstens terecht dat je de legitimatievraag aan sectoren in het publieke domein stelt. Wat dragen zij nog eigenlijk bij aan het oplossen van een aantal maatschappelijke vraagstukken? En is er in een vergrijzende samenleving nog wel genoeg draagvlak voor uitgaven in onderwijs. Populair gezegd: gratis rollators, of gratis schoolboeken?”

“Het tweede argument is dat in de marktsector de productiviteit stijgt, dat maakt daar loonstijgingen mogelijk. Er is een koppeling via de arbeidsmarkt van de lonen in de marktsector en de publieke sector. Als de lonen teveel uit de pas lopen, dan krijgen we een lerarentekort. Maar omdat er in publieke sector geen technologie is waardoor je goedkoper kunt produceren wordt in dit geval het onderwijs relatief duurder. Dat is de wet van Beaumol. Vroeg of laat keert de wal het schip. Mijn stelling is, en ik weet dat ik me hier niet populair mee maak, liever één goede leraar voor veertig leerlingen, dan twee slechte leraren voor twintig.”

Dat is een mooi theoretisch verhaal. U houdt geen rekening met de omstandigheden. In wat voor omgeving de school staat.

“Natuurlijk is er een verschil tussen vwo en de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo. Maar laten  we dat gesprek maar eens gaan voeren! In een gymnasiumklas in de bovenbouw kunnen best groepen van 40 leerlingen les krijgen. Bij Grieks zitten er soms maar enkele leerlingen op één docent, als je dan naar arbeidsproductiviteit kijkt is dat de killer. We moeten los van de stelling dat je goed onderwijs krijgt door méér leraren voor de klas. Vroeg of laat komt dit als een boemerang terug. En als de sector niet zelf met ideeën komt over hoe er anders gewerkt zou kunnen worden, dan doen anderen dat wel. Ik vind het verbijsterend dat het nog steeds geen issue is in de onderwijsprovincie.”

De thuiszorg heeft eerder ervaring opgedaan met het meten van de productiviteit. Dat leidde tot veel kritiek en heeft dit onderwerp beladen gemaakt.

“In de zorgsector was het onderwerp aanvankelijk ook een taboe. Daar is de discussie in het begin eenzijdig financieel-economisch gevoerd, wat overigens de cijfers op zich niet onzinnig maakt. Toch is er beweging gekomen, er wordt nu veel onderzoek gedaan naar technologische innovatie. Bij TNO werken ze aan roboticaprogramma’s voor de zorg. Ik zie dat in het onderwijs nog niet gebeuren.”

         ‘Ik maak me zorgen over de financierbaarheid van het onderwijs’

Volgens cijfers van de  Oeso worden Nederlandse docenten relatief goed betaald, maar maken ze  meer uren dan hun collega’s in het buitenland en hebben ze  relatief grote klassen. Misschien ligt de productiviteit hier al op een hoger niveau in vergelijking met andere landen?

“Maar dat wil niet zeggen dat wij maar achterover kunnen leunen. Op zich zeggen die cijfers nog niet zoveel. Je kunt arbeidsproductiviteit op een aantal manieren verbeteren. Met technologie maar ook met slimmer organiseren. Het lijkt erop – hoewel dat nog verder uitgezocht moet worden – dat de kwaliteitssprong van Finland vooral daarmee te maken heeft. Minder bureaucratie, een andere verhouding tussen uitvoering, toezicht en controle.”

En wat doet prestatiebeloning voor de productiviteit?

“Ik ben voor een milde vorm van prestatiebeloning. Het voorstel van de VVD is niet goed. In de commissie Rinnooy Kan, waar ik deel van uitmaakte, hebben we al differentiatie in de beloning voorgesteld., Maar we waren niet voor een bonuscultuur op individueel niveau. Wel in de vorm van collegegeld voor een opleiding, of voor een team om een goed nascholingsprogramma te kunnen doen. Dus non-materiële incentives in plaats van materiële. Maar het belangrijkste argument voor extra beloning is dat je alle parijen binnen een school dwingt om met elkaar het gesprek aan te gaan over wat er goed en slecht is aan deze school, of aan iemands rol in een team. Het gaat mij erom dat ik de vrijblijvendheid uit dat gesprek wil halen. Toen wij met de commissie Rinnooy Kan bezig waren was de analyse dat slechts 1 op de 7 scholen iets met personeelsbeleid deed, dat zal nu niet veel anders zijn.”

“Productiviteitsverbetering is ook te bereiken door het leveren van hogere kwaliteit. Het gaat er niet zozeer om of een hoger opgeleide leraar meer uren les kan geven, maar of de kwaliteit van de les beter is waardoor de prestaties van de leerlingen omhoog gaan. In het algemeen is het zo, als werk ingewikkelder wordt dan stijgen de opleidingsniveaus. Neem bijvoorbeeld de politie die academische criminologen aantrekt omdat ze met slimmere boeven te maken krijgt. Maar in het onderwijs zie je juist een omgekeerde beweging. De opleidingsniveaus dalen terwijl het werk zacht gezegd niet eenvoudiger wordt. Dat is toch heel merkwaardig.”

[Dit interview verscheen eerder in VO-magazine van de VO-raad]

Deel dit artikel