20 juni 2018

De druk om meteen een goede studiekeuze te maken neemt toe

BREDA | NIEUWS | Naar school gaan wordt steeds minder vrijblijvend. In het voortgezet onderwijs gaat de aanscherping van (examen)examen een nieuwe fase in. De aansluitende overstap van voortgezet onderwijs naar een studie op een hogeschool of universiteit is minder vanzelfsprekend. En eenmaal in het hoger onderwijs beland zal de nieuwe student merken dat uitvallen liever niet gewenst is, dat de studieduur niet teveel mag uitlopen en dat goede cijfers op prijs worden gesteld.

De overheid is met andere woorden de teugels flink aan het aanhalen. In Breda was er op donderdag 14 maart op een locatie van de NHTV in Breda een informatiemiddag van het Netwerk VO-HO West-Brabant waarin het vraagstuk van de overgang van middelbare school naar het hoger onderwijs vanuit verschillende invalshoeken werd belicht. Want als de eisen toenemen, is er meer druk op de leerling in het examenjaar om meteen een goede studiekeuze te maken.

Dat is overigens niet alleen een taak van de decanen in het voortgezet onderwijs, maar ook van het hoger onderwijs. Dat krijgt de wettelijke taak om de aankomende eerstejaars van een studieadvies te voorzien. De instellingen zijn al druk bezig met de voorbereidingen. De hogescholen Avans en NHTV in Breda voeren op een aantal opleidingen bijvoorbeeld al een intakeprocedure. Bij Avans moeten vanaf volgend jaar alle 9000 eerstejaars die procedure doorlopen.

Doorlopende leerlijn
Voortgezet en hoger onderwijs kunnen dus niet meer met de ruggen naar elkaar gaan staan. De betrokkenen, zo bleek tijdens de bijeenkomst in Breda, zijn er zich van bewust dat het creëren van een doorlopende leerlijn een noodzaak is. Idealiter gaat een overstap in de toekomst op een zelfde wijze als nu al van po naar vo, merkte Gerard Hogendoorn, aansluitcoördinator van de Erasmus Universiteit op. Dat wil zeggen met uitwisseling van informatie over de leerling in kwestie en met terugkoppeling.

Maar of het daadwerkelijk gaat lukken om het proces van studiekeuze soepeler en effectiever te laten verlopen, zal nog moeten blijken. De inleiders Gerard Olthof (rector van het Mencia de Mendozalyceum in Breda), Hein van Oorschot (collegevoorzitter NHTV) en Gerard Hogendoorn, zagen wel wat beren op de weg als gevolg van overheidsbeleid.

Vo-scholen draaien met verlies
Rector Olthof was zeer kritisch over wat er in politiek Den Haag allemaal wordt uitgedokterd. Hij maakte op de eerste plaats korte metten met het idee dat het Nederlandse voortgezet onderwijs er weinig van bakt. Er is volgens Olthof alle reden om trots – niet zelfgenoegzaam – te zijn op wat de prestaties van docenten en leerlingen. Uit allerlei cijfers blijkt dat het in internationale vergelijkingen prima presteert. Maar in financieel opzicht hebben de scholen het niet gemakkelijk, zestig procent draait met verlies, aldus de rector.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hij voorziet dat de verdere aanscherping van de exameneisen zijn tol gaat eisen, en nog tot vreemde uitkomsten zal leiden. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat een leerling met gemiddeld een 7 voor het schoolexamen toch zakt vanwege een gemiddeld 5,4 voor het centraal examen. Compenseren mag niet meer en bovendien moet het gemiddelde van het centraal examen straat voldoende (=5,5) zijn. Olthof verwacht verder onder meer dat leerlingen de moeilijke variant van wiskunde gaan midden, als ze er niet zeker van zijn dat ze daar een voldoende voor halen. Straks is namelijk een voldoende in de kernvakken wiskunde, Engels en Nederlands verplicht. En zo wordt het paard achter de wagen gespannen.

Uitvalpercentages
Collegevoorzitter Hein van Oorschot hekelde de toegenomen bemoeizucht van Den Haag met het hoger onderwijs. Niet alleen wat betreft de ‘output’ (afgestudeerden), maar ook wat betreft het onderwijsproces als zodanig. Een doodzonde in de organisatiekunde, weet Van Oorschot. Dat er in het voortgezet onderwijs zorgen zijn over de drempels naar hbo of universiteit zei Van Oorschot te begrijpen. Maar aan de andere kant kan men niet de ogen sluiten voor de uitvalspercentages in het eerste jaar, die liggen tussen de 30 en 35 procent. Verder hield hij de schooldecanen voor dat ze de meer praktisch ingestelde vwo’ers moeten wijzen op een studie in het hbo in plaats van aan de universiteit.

Gerard Hogendoorn hield de zaal ook voor dat het Nederlandse onderwijs op een hoog niveau staat. Hij wees er onder meer op dat er wereldwijd 25.000 universiteiten zijn. Twaalf van de dertien universiteiten die Nederland telt staan in de top-200. En dat lukt alleen als de studenten een goede opleiding in het voortgezet onderwijs hebben gehad, is de redenering van Hogendoorn. Hij plaatste kanttekening bij de opvatting dat maken van een studiekeuze een rationaal proces is. Volgens Hoogendoorn draait het vooral om emoties. Dat de eisen in het onderwijs zwaarder worden, ziet hij allerminst als een probleem. De druk mag best opgevoerd worden. Rotterdam eist nu van studenten dat ze in het eerste jaar minimaal 60 studiepunten halen. Het heeft niet geleid tot meer uitval.

Hij maakt er zich wel zorgen over dat er in het hoger onderwijs minder ruimte is voor de ‘humaniora’, de vormende vakken. Daar ligt volgens Hogendoorn een taak voor het voortgezet onderwijs. Maar volgens rector Olthof doet zich daar op de vlak ook een verschraling voor, omdat de nadruk meer gelegd moet worden op de kernvakken.

Deel dit artikel