18 augustus 2019

Zorgen over wankele positie cultuureducatie in Brabant zijn terecht

DEN BOSCH | NIEUWS | update  – Afgelopen jaren is er in tal van gemeenten in Brabant bezuinigd op cultuureducatie. Er is – soms zeer rigoureus – gesneden in uitgaven voor muziekscholen en kunstencentra. In enkele gevallen leidde dat tot de ondergang van deze instellingen. De zorgen daarover zijn terecht, maar het antwoord is niet om dan maar weer extra geld te pompen in deze sector. Dat stelt de commissie Paes in een rapport, dat is opgesteld op verzoek van de Brabantse gedeputeerde Henri Swinkels (o.a. cultuur) en de Vereniging Brabantse Gemeenten (VBG).

Bij zijn aantreden afgelopen voorjaar constateerde de gedeputeerde dat bezuinigingen van gemeenten op de buitenschoolse kunst- en cultuureducatie links en rechts diep hun sporen hadden nagelaten. Met als gevolg een verschraling van het aanbod en gekwalificeerde cultuurdocenten die tegen een karig loon zo goed en zo kwaad als mogelijk hun werk voortzetten. Swinkels vroeg een commissie van experts onder leiding van Mariet Paes een inventarisatie te maken van de situatie, en om met een advies te komen over hoe nu verder.

 

Protest in Hilvarenbeek tegen bezuinigingen op de muziekschool, najaar 2014.

In een recordtempo heeft de commissie zich van haar taak gekweten. In minder dan drie maanden was er een rapport dat op 2 november op het provinciehuis is gepresenteerd. De commissie is er niet in geslaagd om een volledig beeld te schetsen van hoe de vlag er Brabant breed bijhangt wat betreft de cultuureducatie. Voor tachtig procent wordt de ‘markt’ bediend door particuliere instituten. Daar is echter weinig over bekend. Over de twintig procent van het publieke deel is wel meer informatie beschikbaar en het beeld is weinig opwekkend; daar is door gemeenten stevig op bezuinigd.

De consequenties zijn wel helder voor de commissie:
– Afname van de toegankelijkheid van kunst- en cultuureducatie, vooral nadelig voor kansarmen
– Versplintering van het aanbod
– Verschraling van het aanbod, vooral op het platteland
– Verlies van werkgelegenheid; de sector is voor professionals, vanwege de lage salarissen, minder aantrekkelijk. Die uitstroom leidt op termijn ook tot kwaliteitsverlies van de lessen.

Verantwoordelijkheid
In Nederland is de lokale, buitenschoolse kunst- en cultuureducatie niet in wet- en regelgeving vastgelegd en is er dus geen verplichting om voorzieningen in stand te houden. Een gemeente kan besluiten om helemaal geen subsidie te verstrekken. De burgers moeten hun lessen dan maar zelf betalen. Maar de commissie gaat er vanuit dat dat gemeenten zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid, al erkende de gedeputeerde bij de presentatie dat er bij een deel van de gemeenten er nog wel een tandje bij kan.

De provincie kan gemeenten overigens nergens toe dwingen, maar kan wel als een ‘oliemannetje’ ontwikkelingen in gang zetten. Niet met budget, want dat is geen taak van de provincie. Bovendien is dat in de ogen van Swinkels ouderwets beleid. Zo van, geef maar meer subsidie en dan komt het wel goed. Alleen als er voor proefprojecten een (financieel) duwtje in de rug nodig is, is er bij de provincie bereidheid om te helpen. “Onze rol is vooral om dit onderwerp te agenderen”, aldus Swinkels.

Nee, de kunst- en cultuurcentra zullen zichzelf opnieuw moeten uitvinden, ook al zal dat niet altijd gemakkelijk zijn. Aldus de commissie. Toch is het geen onmogelijke opdracht en de commissie heeft tien actiepunten opgesteld die kunnen helpen om de sector weer toekomstbestendig te maken. Een van de kernpunten uit het advies is dat er, onder regie van de gemeente, lokaal verbindingen worden gelegd met andere activiteiten in het publieke domein. Anders gezegd: over de eigen grenzen heen kijken en partners zoeken. Andere aanbeveling is om het lesaanbod leuker en moderner te maken, meer afgestemd op behoeften uit de bevolking.

Mariet Paes (midden), voorzitter van de adviescommissie, overhandigt het rapport aan gedeputeerde Henri Swinkels. Links Karin van den Berg, ambtelijk secretaris van de VBG. Foto Erik van der Burgt/Verbeeld

Nieuwe modellen
En er zou eens gekeken moeten worden naar de breedte van het aanbod. Als er voor bijvoorbeeld een hobo-les maar één leerling is, dan is dat kostbaar. Waarom niet in samenspraak met andere gemeenten regelen dat je samen een ‘klasje’ maakt? Regionale samenwerking is sowieso iets waar volgens gedeputeerde Swinkels nog flink wat kansen liggen.

Ook zou het volgens de commissie goed zijn als er naar nieuwe organisatiemodellen wordt gezocht. Niet meer de instellingen met een eigen bureau en accommodatie, maar lokale netwerken. Die wel kunnen terugvallen op een professionele ‘backoffice’ (bureau-ondersteuning). Als voorbeeld werd het Buurtzorgmodel aangehaald. Zelfstandige zorgteams in de wijken, die voor bepaalde zaken een beroep kunnen doen op een hoofdkantoor. Zo’n proces van transitie kost tijd, maar provincie en gemeenten zouden hier geld en tijd voor  uit moeten trekken, aldus de commissie.

Bestuurlijk staat de commissie een aanpak voor ogen waarbij provincies en gemeenten convenanten sluiten. Deze moeten uitgaan van een visie op het lokale culturele leven mikken op afspraken die voor een langere periode gelden. De gedeputeerde heeft daar wel oren naar, zo liet hij blijken. Want het gaat er vooral om dat Brabant een nieuwe infrastructuur krijgt op het gebied van kunst- en cultuureducatie die ook op langere termijn staat als een huis.

De gedeputeerde gaat ook onderzoeken of er een model is te bedenken waarbij de positie van de kunstdocenten op de arbeidsmarkt verbeterd kan worden. Vanuit Den Haag is er in ieder geval veel belangstelling voor de Brabantse aanpak, vertelde Swinkels,  na een ontmoeting met minister Bussemaker (OCW).

> Ga hier naar de actiepunten van de commissie

Deel dit artikel