30 oktober 2020

‘Nederland heeft koudwatervrees voor thuisonderwijs’

ACHTERGROND [2007] | Thuisonderwijs is in politiek Den Haag een gevoelig item. Een ruime meerderheid in beide kamers is tegen een versoepeling van het verbod op thuisonderwijs. Staatssecretaris Dijksma komt nog dit jaar met een voorstel om de Leerplichtwet aan te passen. Tegen de stroom in pleit juriste Joke Sperling er voor de mogelijkheden voor thuisonderwijs juist te verruimen. In veel landen is thuisonderwijs een wettelijk recht.

In Europa behoort Nederland samen met Duitsland en Griekenland tot een zeer kleine minderheid van landen waar thuisonderwijs feitelijk verboden is. In alle andere landen kunnen ouders, onder uiteenlopende voorwaarden, er voor kiezen om hun kinderen zelf onderwijs te geven op een manier die past bij hun pedagogische, godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen. Er zijn landen, zoals Ierland, Oostenrijk en Finland, waar het recht op thuisonderwijs expliciet in de grondwet is vastgelegd. Ook bij onze zuiderburen kunnen de ouders (of de verzorgers) op basis van de vrijheid van onderwijs, in 1831 in de Belgische grondwet opgenomen, zelf het onderwijs van hun kinderen verzorgen.

Desondanks rust in Nederland op thuisonderwijs een groot taboe, zoals blijkt uit een reactie van de vorige minister van Onderwijs Maria van der Hoeven, die in 2004 in een gesprek met het AD uitriep: ‘Ik begin er gewoon niet aan. Thuisonderwijs is niet in het belang van het kind.’  Een poging een jaar later van bijzonder hoogleraar onderwijsrecht mr. Paul Zoontjens en hoogleraar bestuurskunde dr. Paul Frissen, beiden verbonden aan de Universiteit van Tilburg, om in een advies aan de minister over de harmonisering van de onderwijswetgeving ook een wettelijk recht op thuisonderwijs op te nemen, leed schipbreuk.

Leerplichtwet
En sindsdien is het klimaat er niet gunstiger voor geworden, zoals bijvoorbeeld afgelopen zomer nog bleek tijdens de behandeling van de wijziging van de Leerplichtwet in de Eerste Kamer. Deze wijziging had betrekking op uitbreiding van het toezicht op de niet door de overheid bekostigde particuliere scholen, zoals Iederwijs. Per motie kreeg staatssecretaris Dijksma in dat debat het uitdrukkelijke verzoek om zo spoedig mogelijk met wettelijke voorstellen te komen waardoor de overheid meer greep krijgt op het overigens zeer kleine aantal ouders (ongeveer 170, o.a. Michaelisten, Zevende Dagsadventisten) dat op grond van een vrijstellingsbepaling in de Leerplichtwet hun kinderen niet op een school hoeft in te schrijven en hun kinderen thuisonderwijs geeft. Alleen het Eerste Kamerlid De Boer van de ChristenUnie kwam nadrukkelijk op voor een recht van ouders om zelf de afweging te maken tussen de reguliere school of thuisonderwijs.

Mr. Joke Sperling, actief binnen de Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht, is een pleitbezorger van het recht op thuisonderwijs als onderdeel van het ouderlijk keuzerecht. Als juriste én als ouder van drie opgroeiende kinderen. “Mijn echtgenoot en ik hebben voor het eerst met het fenomeen thuisonderwijs kennis gemaakt toen we in de Verenigde Staten woonden. Omdat het met onze oudste zoon op een gegeven moment niet goed ging op school besloten wij om hem zelf onderwijs te geven. Hij heeft daar veel baat bij gehad. In Amerika komt thuisonderwijs veel voor, daar zijn naar schatting meer dan een miljoen kinderen die thuisonderwijs krijgen”, zegt Joke Sperling, die werkt aan een proefschrift over het recht op thuisonderwijs.

Belgisch systeem
Inmiddels woonachtig in België, geven zij en haar echtgenoot alle drie hun kinderen thuisonderwijs. De regeling in België is in de optiek van Sperling in al zijn eenvoud ideaal. Kortweg komt het erop neer dat de ouders elk jaar, zonder opgaaf van redenen, aan de overheid melden dat ze hun kinderen thuisonderwijs geven. De inspectie controleert dit onderwijs steekproefsgewijs. Mocht het onderwijs tekortschieten, dan kunnen de ouders verplicht worden om hun kind op een reguliere school in te schrijven.   

De Nederlandse praktijk staat daar lijnrecht tegenover. Ouders kunnen alleen aan de leerplicht voldoen door hun kind op een school in te schrijven. Dat is niet altijd zo geweest, legt Sperling uit. De vrijheid van onderwijs hield lange tijd ook vrijheid van thuisonderwijs in. In de eerste Leerplichtwet van 1900 konden ouders op twee manieren aan hun plicht voldoen. Zij konden hun kind naar een reguliere school sturen, of het thuisonderwijs (laten) geven. Bovendien konden ouders zich op vrijstelling beroepen als er, binnen een bepaalde afstand, geen reguliere scholen waren die onderwijs boden dat aansloot bij de opvoeding van hun kinderen. Deze vrijstelling was terug te voeren op de grondwettelijke vrijheid van onderwijs (toen artikel 192, nu artikel 23 Grondwet).       

Opvoedkundige redenen
Bij de behandeling van de herziening van de Leerplichtwet in 1969 werd, op initiatief van de PvdA, de mogelijkheid om met thuisonderwijs aan de leerplicht te voldoen geschrapt. Bovendien werd bepaald dat vrijstelling van de leerplicht alleen nog maar zou gelden als ouders bezwaar zouden hebben tegen de ‘richting’ van het onderwijs. Opvoedkundige redenen werden niet langer gehonoreerd. Ouders met een ontheffing zijn op grond van het Burgerlijk Wetboek weliswaar verplicht hun kinderen onderwijs te geven, maar de overheid controleert dat momenteel niet.  Staatsecretaris Dijksma is van plan, door middel van een wijziging van de Leerplichtwet, vrijgestelde ouders te verplichten hun kinderen thuisonderwijs te geven, en de overheid daarop toezicht te laten houden.

Het is echter nog onduidelijk hoe dit wetsvoorstel er uit zal zien. Uit de debatten in het parlement over thuisonderwijs tot dusver valt op te maken dat de weerstand tegen thuisonderwijs vooral berust op sociale argumenten. De meeste kamerleden en de bewindslieden zijn ervan overtuigd dat een school dé plek is waar kinderen maatschappelijk integreren en hun burgerschap ontwikkelen. De vraag of ouders al dan niet bekwaam zijn om hun kinderen taal, rekenen, enz. te leren speelt in het debat nauwelijks een rol.

Principieel recht
Joke Sperling stelt echter dat er geen enkel bewijs is voor de opvattingen van de kamerleden. Alle onderzoeken over thuisonderwijs en Nederlandse en buitenlandse ervaringen daarmee wijzen juist unaniem op het tegendeel. Zij vindt dat het principiële recht van ouders om het onderwijs aan hun kinderen te kiezen voorop moet staan en niet ongefundeerde opvattingen.
Nederland heeft in haar ogen last van koudwatervrees. Dat kinderen die thuisonderwijs hebben gevolgd later moeilijker aansluiting vinden bij voortgezet of hoger onderwijs is, volgens Sperling, niet bewezen.”Kinderen die thuisonderwijs krijgen doen staatsexamens of toelatingsexamens voor het vervolgonderwijs.”

Dat de inspectie toezicht zou houden op thuisonderwijs als dat er is, juicht Sperling toe. “Aan welke normen thuisonderwijs zou moeten voldoen staat ter bepaling van de wetgever. Zelf geef ik de voorkeur aan het Belgische systeem, maar men kan er ook  voor kiezen om de kerndoelen toe te passen op thuisonderwijs of thuisonderwezen kinderen een Cito-toets of een vergelijkbare toets te laten maken.”

De afgelopen jaren zijn er diverse strafzaken geweest tegen ouders die een beroep doen op het recht op vrijstelling van de leerplicht. Sommige uitspraken hebben iets meer ruimte gecreëerd voor dit recht, maar er is geen jurisprudentie waarin het recht op thuisonderwijs is erkend. Rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens biedt op dit punt ook geen soelaas, heeft Sperling vastgesteld.

UPDATE 2010 | Op donderdag 14 oktober 2010 is Joke Sperling aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam gepromoveerd. De titel van het proefschrift: “Moet jij niet naar school? Een onderzoek naar de juridische aspecten van thuisonderwijs vanuit Nederlands en rechtsvergelijkend perspectief”. Promotor was prof. dr. D. Mentink

> Op deze site meer over thuisonderwijs

Deel dit artikel