2 juli 2020

OCW op basis van steekproef: groepen nauwelijks groter

DEN HAAG | NIEUWS | De gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs is de afgelopen zes jaar nauwelijks veranderd. Dat schrijft staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs in een brief aan de Tweede Kamer.

Hij reageert daarmee op een publicatie in het Onderwijsblad van de AOb. Daarin werd op grond van eigen onderzoek gemeld dat de gemiddelde groepsgrootte is gegroeid tot 26 leerlingen. Maar volgens de nieuwe bewindsman blijkt uit een representatieve steekproef onder 400 basisscholen dat de gemiddelde groepsgrootte lager ligt. In 2012 was gemiddelde groepsgrootte 22,8 leerlingen. Dat was in 2006 nog 22,4. En daarmee ligt volgens de Dekker de groepsgrootte op een omvang van 23 leerlingen die, volgens het onderzoek van AOb, door veel leerkrachten als ideaal wordt gezien.

De afgelopen jaren is er, mede door de bezuinigingen maar ook door zaken als krimp van de bevolking, een debat ontstaan over het aantal leerlingen in de klas. In de media verschijnen berichten waarin directeuren, maar ook ouders, klagen over te grote klassen. Het enige cijfer dat enig houvast gaf aan deze discussie was de zogeheten ratio leerkracht – leerling. Maar dat cijfer zegt nauwelijks iets over de werkelijke omvang van een groep. Want in die rekensom wordt het totale aantal leerlingen gedeeld door het totale onderwijzend personeel; dus ook de personeelsleden die niet voor de klas staan zoals intern begeleiders.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tot en met 2006 turfde de Onderwijsinspectie de gemiddelde groepsgrootte aan de hand van steekproeven. Daarna werd dat niet meer bijgehouden. Dankzij de invoering van het Onderwijsnummer is het volgens staatssecretaris Dekker echter goed mogelijk om steekproefsgewijs de groepsgrootte vast te stellen. Centerdata (een onderzoeksinstituut van de Tilburgse universiteit) heeft die meetmethode getoetst op betrouwbaarheid. De conclusie is dat de steekproef valide uitkomsten oplevert.

Geen centrale sturing
Staatssecretaris Dekker gaat zich niet bezighouden met de omvang van de groepen. Hij zet de lijn van zijn voorgangster voort. Van Bijsterveldt stelde zich op het standpunt dat besturen sinds de invoering van de lumpsum in 2006 zelf keuzes kunnen maken wat betreft de inzet van hun personeel. “De indeling en vorming van groepen is bij uitstek een aangelegenheid die om maatwerk op het niveau van de school vraagt. Elke vorm van centrale sturing maakt onnodig inbreuk op dit proces”, aldus Dekker in zijn brief aan de Kamer.

De staatssecretaris begrijpt overigens wel dat het onderwerp leerkrachten en ouders bezighoudt. “Wanneer er relatief veel leerlingen in een groep zitten, of wanneer de groep van de jongste kinderen door nieuwe instroom fors groeit, stellen ouders zich de vraag of dit niet ten koste gaat van de aandacht voor hun kind. Een grotere groep kan ook van invloed zijn op de door de leerkracht ervaren werkdruk.”

Omdat de staatssecretaris verwacht dat ook in de nabije toekomst het debat over de groepsgrootte zal oplaaien door nieuwe maatregelen, heeft hij de inspectie opdracht gegeven om ontwikkelingen op dit vlak voortaan jaarlijks te rapporteren.

Ga hier naar de brief van de staatssecretaris met een toelichting op de berekeningen

> Lees ook:

Minister hoeft vingers niet te branden aan groepsgrootte – met dank aan de lumpsum [2012]

OCW stelt geen grens aan maximale groepsgrootte [2011]

Schooldirecteur tegen Kamerlid Ferrier: ‘De groepen worden weer groter’ [2011]

Deel dit artikel